Punt Uit!
Bijbelrooster zondag 13 mei t/m zaterdag 19 mei
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Opgevaren ten hemel?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Geplaatst op: 11-05-2012
Bijbelrooster zondag 6 mei t/m zaterdag 12 mei
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Blind?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Geplaatst op: 04-05-2012
Bijbelrooster zondag 29 april t/m zaterdag 5 mei
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Hart?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Geplaatst op: 27-04-2012
Bijbelrooster zondag 22 april t/m zaterdag 28 april
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Kennen?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Zondag 22 april: Exodus 5:1-9 (Er)ken jij God?
Exodus 5:2: ?Ik ken de HEERE niet.?
Je zit in de huiskamer. Je kijkt door het raam. Je ziet over de stoep aan de andere kant van de straat een man lopen. Je weet zijn naam niet. Je hebt hem nooit ontmoet. Ken je hem dan? Nee, natuurlijk niet! Je kent iemand niet, als je hem slechts voorbij ziet lopen. Kennis is niet louter theoretisch inzicht of praktische informatie paraat hebben. Als je iets kent, heb je er ervaring mee, dan ben je er vertrouwd mee. Als je iemand kent, komt dat, omdat je met hem omging. Je hebt hem persoonlijk ontmoet, gezien, gehoord. Je weet iets van z?n karakter.
Zo kende de farao, de koning van Egypte, Israëls God niet, de HEERE die een verbond sloot met Zijn volk. Farao liet het tot slavernij vervallen volk niet vertrekken. Hij verzwaarde de lasten van Israël (Exodus 5:7). Daar zat meer achter: vijandschap. De farao was zo?n goddeloze, die zegt: ?Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?? (Job 21:15). Hij weigerde God te (er)kennen. Dat brak hem zuur op. Want het gevolg was dat de Egyptenaren en de farao God leerden kennen in Zijn toorn! De HEERE streed voor Israël (Exodus 14:25).
Zit jij anders in elkaar dan de farao? Voel je je beter dan Petrus? Die zat bij het vuur in het huis van de hogepriester (Johannes 18:24). Hij ontkende drie keer dat hij Jezus, z?n Meester kende. Toen de haan kraaide, ging Petrus huilend naar buiten (Lukas 22:62). Wat zouden jij en ik gedaan hebben? God en Jezus (er)kennen? Moeilijke vraag! Of niet? Adam en Eva begonnen met God niet te (er)kennen. Toen ze naar de slang luisterden (Genesis 3:4-6). Zit dat weigeren om God te (er)kennen jou en mij dan eigenlijk niet in de genen?
De farao zei: ?Ik ken de HEERE niet? (Exodus 5:2). Het aantal mensen in ons land dat zijn woorden beaamt, neemt toe. Kijk naar de kerkverlating. Maar binnen de kerk leven mensen die er feitelijk niet anders over denken. Omdat er bij hen geen enkele betrokkenheid bestaat op de daar gehoorde boodschap van zonde en genade. Jij bent toch niet zo iemand? Want met de farao liep het fout af. Je kunt beter bij dat Gods volk horen. Van hen geldt: ?Zij zullen Mij allen kennen? (Jeremia 31:34).
Maandag 23 april: Jeremia 3:6-14 Ken jij je zonde?
Jeremia 3:13: ?Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden.?
Jeremia vergeleek de relatie van God met Juda en Israël met een huwelijk. Zowel Juda, de twee stammen, als Israël, de tien stammen, schond die relatie. Zoals een vrouw die er af en toe met een ander van door gaat (Jeremia 3:1,2). De Heere Jezus zei veel later: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Het ?trouweloze? Juda dacht echter dat dit wel kon (Jeremia 3:10). Want tijdens de regering van Josia was sprake van een reformatie (2 Koningen 23). Maar die volksbekering bleek schijn. Juda maakte het later erger dan Israël (Jeremia 3:11). Daarom riep God juist Israël weer tot bekering: ?Ken uw ongerechtigheid? (Jeremia 3:13).
Wat antwoord je, als iemand tegen jou zegt: ?Ken je ongerechtigheid, je wetteloosheid, je zonde?? ?Nou ja?, zeg je misschien: ?Dan moet ik natuurlijk erkennen dat ik een zondaar ben. Nou, dat ben ik wel hoor. Vanzelfsprekend.?
Wacht even: Je kunt met prachtige woorden allerlei als vanzelfsprekend beschouwde dingen belijden. Dat gebeurt. Ook vanaf veel kansels. Zo hoort het toch? Zeker. Maar om iets te erkennen, moet je het eerst kennen. Wat heb je aan erkennen van zonde als er geen kennen voorafgaat? Ervaar je de pijn niet van het schuldig ongehoorzaam zijn? Is er dan geen sprake van een lege schuldbekentenis, zonder waarde?
Kennen is in de Bijbel ervaringskennis. Bij het kennen van God ben je in de Bijbel als mens met je hele bestaan betrokken. Niet alleen met je redenerende verstand. Zo ben je ook met je hele bestaan betrokken bij het zondigen. Je zondigt niet in de ruimte, maar tegen Iemand. Tegen God. Als je Hem niet kent, ken je de zonde niet op de ?goede? manier. Je ervaart geen pijn, omdat je de goede God verdriet doet.
?Ken uw ongerechtigheid?! Is dat niet om bang van te worden? Misschien wel. Maar als God in je leven kwam, weet je dat Hij recht heeft op jouw liefde en gehoorzaamheid. Misschien zing je met David: ?Ik ken mijn overtredingen? (Psalm 51:5). Dan is vast ook dat andere lied je lief: ?Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, ken mijn gedachten? (Psalm 139:23). En je weet toch dat zonden kennen, erkennen, belijden de weg vormt naar vergeving (Psalm 32:5)? ?Ik zal u aannemen?, zei de HEERE (Jeremia 3:14).
Dinsdag 24 april: 1 Kronieken 28:1-10 (Er)ken en dien de Heere!
1 Kronieken 28:9: ?Ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel.?
Heb jij ook zo?n vader als David was? Hij mocht geen tempel bouwen (1 Kronieken 22:8). Sálomo moest het doen. Maar denk erom jongen, zei vader David: ?Ken de God van uw vader? (1 Kronieken 28:6,9). Dus de oude koning vroeg niet of Sálomo veel aan z?n vader wilde denken. Hij moest vooral de God van z?n vader in gedachten houden. Sálomo moest die God erkennen, liefhebben en gehoorzamen. Heeft jouw vader zo ook het goede met jou voor?
David had weinig reden om te zeggen dat Sálomo veel aan hem moest denken. Want Davids leven telde tal van zondige missers. Gelukkig gold van hem: ?U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde? (Psalm 32:5). David bedoelde tegen Sálomo te zeggen: Ik heb mijn God trouw gediend. Doe dat ook. God is het zo waard. Hij was zo goed voor mij. God had mij lief. Onbegrijpelijk! (1 Kronieken 28:4).
(Er)ken de God van je vader, Sálomo, ?dien Hem met een volkomen hart?(1 Kronieken 28:9). Dát is niet gering. Het hart is in de Bijbel centrum van het totale menselijk leven (Spreuken 4:23). God vraagt veel: Je kracht; je tijd; je handen en voeten; je ogen en oren; je hartstochten en begeerten. God vraagt alles van je, Sálomo! Het zou nog eeuwen duren voor Paulus werd geboren. Toch beschreef hij de strijd die op zo?n keuze volgt (Romeinen 7:22,23).
David zei: ?Geen twee heren dienen, jongen.? Geen halfslachtig leven leiden. Eeuwen later waren de Romeinen de baas in het gebied van de Middellandse Zee. Er heerste grote tolerantie. Je mocht allerlei goden dienen. Maar één ding mocht géén van de inwoners van dat grote rijk nalaten. Hij mocht niet weigeren goddelijke eer te bewijzen aan de Romeinse keizer. Door een offer aan hem te wijden. Dat konden christenen niet. Jezus was hun Heere.
Heb jij ook een vader, die je zó liefheeft dat hij je aanraadt God te dienen? Met een gewillige ziel. Ook dat woord ziel duidt op de totale menselijke persoonlijkheid. Het ?trouweloze? Juda dacht dat het wel kon (Jeremia 3:10). Maar de Heere Jezus gaf later dezelfde raad als David: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Denk er eens aan, als je achter je scherm zit. En als je er over denkt, waar je zaterdagavond heen wil!
Woensdag 25 april: Johannes 10:1-15 Kent de Heere jou?
Johannes 10:14: ?Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.?
Die Joodse man was blind geboren. Jezus genas hem. De farizeeërs zaten hen beiden dwars (Johannes 9:16). Farizeeërs bleken weinig pastoraal. Ze leken meer op moordenaars. Maar de Heere Jezus typeerde Zichzelf als het tegendeel. Als de goede Herder. ?Ik ken de Mijnen?, zei Hij. ?Ik stel Mijn leven voor de schapen? (Johannes 10:8-15). Zo?n herder leidt zijn schapen naar grazige weiden (Psalm 23:2). Hij beschermt z?n schapen tegen rovers en roofdieren. Er gaat er niet één verloren. Je bent veilig, als de goede Herder je kent!
De Heere Jezus gebruikte een gelijkenis. Zo?n aan het dagelijks leven ontleend, verzonnen verhaal, wil een belangrijke waarheid duidelijk te maken. Welke? De bij Adam en Eva begonnen zonde, had de dood tot gevolg (Genesis 2:17). Maar wat een wonder: het verlorene kan zalig worden. Er bestaat een uitverkiezing! (Eféze 1:3-6). Als God je zó kent, kan niemand je uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28). Je bent veilig. ?Het vaste fundament Gods staat? de Heere kent degenen die Zijne zijn (2 Timothéüs 2:19).
Kent de Heere jou ook? Natuurlijk, Petrus zei: ?Heere! Gij weet alle dingen? (Johannes 21:17). Maar kent de goede Herder jou als schaap? Zeg niet te gauw ?ja?. Want de schapen horen Zijn stem. Hij verwacht gehoorzaamheid van je. Als je bij Jezus hoort, luister je naar Zijn onderwijs. Je zingt net als David: ?Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.? Soms valt er nog maar één ding te belijden: ?Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten? (Psalm 119:10, 176).
De stem van de Heere Jezus is ook vol van genade. Hij kent Zijn schapen door en door. De goede Herder is als die vader die Zich ontfermt over de kinderen. Zo ?ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn? (Psalm 103:13,14).
Als de Heere jou kent, leerde jij de Heere kennen. Net als Paulus. Hij schreef: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16). Zo kennen schapen Zijn stem. Net als de bruid: ?Dat is de stem van mijn Liefste? (Hooglied 2:8). Welke stem volg ik? Jij? De stem van de slavendrijver uit de hel? Of die van de goede Herder?
Donderdag 26 april: Spreuken 3:1-7 (Er)ken God door Hem raad te vragen.
Spreuken 3:6: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.?
Je leest. Een roman. Een levensbeschrijving. Een studieboek. Je hebt het uit. Ken je dan de auteur? Niet echt. Je weet iets over zijn schrijfstijl. Over zijn interesse. Of over zijn fantasie. Maar je kent zo iemand pas echt ?en dan vaak nog maar een beetje? als je hem of haar persoonlijk ontmoet hebt. Pas als je intensief met iemand omgaat, hem achter z?n vestje kijkt, je hart voor elkaar hebt opengelegd, zeg je: ?Nu kennen wij elkaar.? Mozes kende God. Maar niet alleen uit een boekje. Van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10).
Sálomo adviseerde God de kennen, te raadplegen in al je wegen (Spreuken 3:6). Dus vraag Zijn raad bij alles wat je van plan bent en denkt op te pakken. Zoek Zijn wil voor al je doen en laten. En ten aanzien van je zwijgen en spreken. Dat is niet gering! Is dat mogelijk, als je God niet kent ?van aangezicht tot aangezicht?? Kun je Zijn wil kennen zonder persoonlijke relatie met de Heere? Zeg niet te snel: Nee. Want God, de grote Auteur achter de Bijbel, verschilt van alle andere schrijvers. Hij openbaarde Zichzelf en Zijn wil in dat boek (2 Petrus 1:19).
?Ken Hem in al uw wegen.? Misschien zeg je: ?Ja, juist, vanzelf. Als ik in moeilijkheden zit. Als ik voor levensraadsels sta. Dan moet ik mij natuurlijk tot God wenden. Zien of Hij mij een oplossing aan de hand wil doen.? Denk je dat Sálomo dat bedoelde? Dan zit je ernaast. De wijze koning gebruikte het woordje ?al?. Raadpleeg God ?in al uw wegen?. Dus ook als er helemaal geen sprake is van raadsels of problemen. Als je God vreest en de zonde haat, geeft het ?zonder Hem kan ik niets doen? (Johannes 15:5) steeds meer de toon aan in je leven.
Je zegt: ?Wacht even! Maar Sálomo beloofde wel: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Dus dan is er óók voor elke moeilijkheid een oplossing!? Wacht even! God gebruikt soms moeilijkheden om je aan te sporen tot gebed. Om je recht en echt afhankelijk te maken en te houden van Hem. Dan geldt: ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede? (Romeinen 8:28). Ook obstakels en moeilijkheden op je levensweg.
Vrijdag 27 april: Filippensen 3:2-16 Wie Christus kent, heeft alles!
Filippensen 3:8: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere.?
Saulus van Tarsen was ooit een brave farizeeër (Handelingen 23:6). Farizeeërs waren rechtzinnige, wettische mensen. Zij probeerden met hun eigen doen en laten God een plezier te doen. Zelfs, zoals Saulus, met het vervolgen van christenen. Maar op weg naar Damaskus verloor hij de macht over het stuur. De Heere Jezus kwam in z?n leven. Eerst ontdekkend. Saulus? zonden ontmaskerend (Handelingen 9:5). Maar ook met Zijn liefde en genade. Later schreef Paulus: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16).
Alle goede werken van Paulus hadden niks te betekenen. Nee, het was nog veel erger. Ze bleken in feite zondig. Ze waren onrein, een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6). En nu hoefde hij niet onder Gods rechtvaardig oordeel te sterven. Hij leerde Christus persoonlijk kennen. Hij kreeg genade. Leven. Dat vergeet je nooit meer! De apostel Johannes wist dat ook. Ooit viel zijn oog voor het eerst van z?n leven op Jezus als het Lam Gods. Onvergetelijk! Het was tien uur (Johannes 1:40). Wat kreeg Paulus de Heere Jezus onvoorstelbaar lief.
Hij typeerde z?n vroeger als verdiensten beschouwde goede werken als schade. Als vuilnis. Als drek (Filippensen 3:8). Dat kan betekenen: uitwerpsels van honden, of hondenvoer. In elk geval: vuile troep. Vergeleken bij het kennen van Christus, Zijn Persoon, Zijn werk, blijkt alles waardeloos. Want in dat kennen ligt het eeuwige leven (Johannes 17:3).
Je zult maar net als Paulus ontmaskerd worden als een vijand van God. Zo iemand heeft niet anders te verwachten dan de dood. Wat een niet in woorden uit te drukken wonder, als je voor het eerst in je leven ziet dat zo?n vijand nog met God verzoend kan raken en vrede bij God krijgen. Door Christus! (Romeinen 5:1,10). Je hoorde misschien twintig of dertig jaar over Jezus preken. Maar je had niks met Hem. Tot je jezelf als een doodschuldige vijand van God leerde kennen. Toen kwam het ogenblik dat Zijn dood waarde voor je kreeg. Heel persoonlijk.
Sommige mensen citeren graag de woorden van Paulus. Maar dan zo: ?om de uitnemendheid van Christus.? En zeker: Christus is een voortreffelijke Zaligmaker. Maar het gaat er wel om, of je Hem ooit persoonlijke hebt ontmoet, of er sprake is van een individuele relatie met die Zaligmaker. Het gaat om ?het kennen van Christus?.
Zaterdag 28 april: 1 Korinthe 13 Straks komt het volmaakte.
1 Korinthe 13:9: ?Wij kennen ten dele.?
Aan de andere kant van de golf van Korinthe lag het stadje Delphi. Daar was sprake van extatisch spreken onder heidense priesters en priesteressen. Dus indien je als christen in andere talen kon spreken, had je ook iets bijzonders. Maar Paulus relativeerde in zijn eerste de brief aan de christengemeente te Korinthe het belang van dat spreken in vreemde talen. De beste, de hoogste gave was voor hem niet tongentaal. Zelfs niet kennis (1 Korinthe 13:13).
Er is sprake van kennis. Natuurlijk. Je gaat niet voor niks op zondag naar de kerk. En in de week naar de catechisatie of de bijbelkring. Wij weten uit de Bijbel wat voor onze zaligheid nodig is. Gelukkig! De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort. Die leidt in al de waarheid. En Hij verheerlijkt Christus (Johannes 16:13,14). Dat betekent echter niet dat er geen raadsels overblijven. Maar als straks het volmaakte is gekomen, schreef Paulus, dan wordt alles wat ten dele is opgeheven, ongedaan gemaakt, teniet gedaan (1 Korinthe 13:10).
?Wij kennen ten dele? (1 Korinthe 13:9). Sommige mensen misbruiken die woorden om de waarheid van Gods Woord te relativeren. ?Och joh, waarom zouden die moslims, of die hindoes ook niet een stukje van de waarheid hebben. Je moet niet altijd denken dat jij zelf alleen de waarheid in pacht hebt.? Dat is in feite het denken van de huidige, postmoderne cultuur. De stiefdochter van die cultuur heet ietsisme. ?Er moet wel iets zijn, een soort hogere macht. Maar wij weten daar weinig van.? Zo redeneert ontkerstend West-Europa.
Maar je mag dat ?wij kennen ten dele? niet op die manier misbruiken. Denk eens eenvoudig aan de Heere Jezus. Kwam Hij om alle oudtestamentische wetten en ceremoniën af te keuren, ongedaan te maken, opzij te schuiven? Nee, Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen (Matthéüs 5:17). Zo is het ook met de kennis. Het kennen van God de Vader en de Heere Jezus en de Heilige Geest voor Gods kinderen zal op de jongste dag en daarna tot volkomenheid komen.
Dan houdt het ten dele kennen op. De raadsels die er nu nog zijn, de vragen, het niet begrijpen waarom de Heere niet anders met Zijn volk handelde, veranderen dan een lofzang. ?Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed? (Openbaring 5:9).
Geplaatst op: 20-04-2012
Bijbelrooster zondag 15 april t/m zaterdag 21 april
www.statenvertaling.net/bijbel/hand/17.html Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week gaat het over de ?Synagoge?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Zondag 22 april: Exodus 5:1-9 (Er)ken jij God?
Exodus 5:2: ?Ik ken de HEERE niet.?
Je zit in de huiskamer. Je kijkt door het raam. Je ziet over de stoep aan de andere kant van de straat een man lopen. Je weet zijn naam niet. Je hebt hem nooit ontmoet. Ken je hem dan? Nee, natuurlijk niet! Je kent iemand niet, als je hem slechts voorbij ziet lopen. Kennis is niet louter theoretisch inzicht of praktische informatie paraat hebben. Als je iets kent, heb je er ervaring mee, dan ben je er vertrouwd mee. Als je iemand kent, komt dat, omdat je met hem omging. Je hebt hem persoonlijk ontmoet, gezien, gehoord. Je weet iets van z?n karakter.
Zo kende de farao, de koning van Egypte, Israëls God niet, de HEERE die een verbond sloot met Zijn volk. Farao liet het tot slavernij vervallen volk niet vertrekken. Hij verzwaarde de lasten van Israël (Exodus 5:7). Daar zat meer achter: vijandschap. De farao was zo?n goddeloze, die zegt: ?Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?? (Job 21:15). Hij weigerde God te (er)kennen. Dat brak hem zuur op. Want het gevolg was dat de Egyptenaren en de farao God leerden kennen in Zijn toorn! De HEERE streed voor Israël (Exodus 14:25).
Zit jij anders in elkaar dan de farao? Voel je je beter dan Petrus? Die zat bij het vuur in het huis van de hogepriester (Johannes 18:24). Hij ontkende drie keer dat hij Jezus, z?n Meester kende. Toen de haan kraaide, ging Petrus huilend naar buiten (Lukas 22:62). Wat zouden jij en ik gedaan hebben? God en Jezus (er)kennen? Moeilijke vraag! Of niet? Adam en Eva begonnen met God niet te (er)kennen. Toen ze naar de slang luisterden (Genesis 3:4-6). Zit dat weigeren om God te (er)kennen jou en mij dan eigenlijk niet in de genen?
De farao zei: ?Ik ken de HEERE niet? (Exodus 5:2). Het aantal mensen in ons land dat zijn woorden beaamt, neemt toe. Kijk naar de kerkverlating. Maar binnen de kerk leven mensen die er feitelijk niet anders over denken. Omdat er bij hen geen enkele betrokkenheid bestaat op de daar gehoorde boodschap van zonde en genade. Jij bent toch niet zo iemand? Want met de farao liep het fout af. Je kunt beter bij dat Gods volk horen. Van hen geldt: ?Zij zullen Mij allen kennen? (Jeremia 31:34).
Maandag 23 april: Jeremia 3:6-14 Ken jij je zonde?
Jeremia 3:13: ?Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden.?
Jeremia vergeleek de relatie van God met Juda en Israël met een huwelijk. Zowel Juda, de twee stammen, als Israël, de tien stammen, schond die relatie. Zoals een vrouw die er af en toe met een ander van door gaat (Jeremia 3:1,2). De Heere Jezus zei veel later: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Het ?trouweloze? Juda dacht echter dat dit wel kon (Jeremia 3:10). Want tijdens de regering van Josia was sprake van een reformatie (2 Koningen 23). Maar die volksbekering bleek schijn. Juda maakte het later erger dan Israël (Jeremia 3:11). Daarom riep God juist Israël weer tot bekering: ?Ken uw ongerechtigheid? (Jeremia 3:13).
Wat antwoord je, als iemand tegen jou zegt: ?Ken je ongerechtigheid, je wetteloosheid, je zonde?? ?Nou ja?, zeg je misschien: ?Dan moet ik natuurlijk erkennen dat ik een zondaar ben. Nou, dat ben ik wel hoor. Vanzelfsprekend.?
Wacht even: Je kunt met prachtige woorden allerlei als vanzelfsprekend beschouwde dingen belijden. Dat gebeurt. Ook vanaf veel kansels. Zo hoort het toch? Zeker. Maar om iets te erkennen, moet je het eerst kennen. Wat heb je aan erkennen van zonde als er geen kennen voorafgaat? Ervaar je de pijn niet van het schuldig ongehoorzaam zijn? Is er dan geen sprake van een lege schuldbekentenis, zonder waarde?
Kennen is in de Bijbel ervaringskennis. Bij het kennen van God ben je in de Bijbel als mens met je hele bestaan betrokken. Niet alleen met je redenerende verstand. Zo ben je ook met je hele bestaan betrokken bij het zondigen. Je zondigt niet in de ruimte, maar tegen Iemand. Tegen God. Als je Hem niet kent, ken je de zonde niet op de ?goede? manier. Je ervaart geen pijn, omdat je de goede God verdriet doet.
?Ken uw ongerechtigheid?! Is dat niet om bang van te worden? Misschien wel. Maar als God in je leven kwam, weet je dat Hij recht heeft op jouw liefde en gehoorzaamheid. Misschien zing je met David: ?Ik ken mijn overtredingen? (Psalm 51:5). Dan is vast ook dat andere lied je lief: ?Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, ken mijn gedachten? (Psalm 139:23). En je weet toch dat zonden kennen, erkennen, belijden de weg vormt naar vergeving (Psalm 32:5)? ?Ik zal u aannemen?, zei de HEERE (Jeremia 3:14).
Dinsdag 24 april: 1 Kronieken 28:1-10 (Er)ken en dien de Heere!
1 Kronieken 28:9: ?Ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel.?
Heb jij ook zo?n vader als David was? Hij mocht geen tempel bouwen (1 Kronieken 22:8). Sálomo moest het doen. Maar denk erom jongen, zei vader David: ?Ken de God van uw vader? (1 Kronieken 28:6,9). Dus de oude koning vroeg niet of Sálomo veel aan z?n vader wilde denken. Hij moest vooral de God van z?n vader in gedachten houden. Sálomo moest die God erkennen, liefhebben en gehoorzamen. Heeft jouw vader zo ook het goede met jou voor?
David had weinig reden om te zeggen dat Sálomo veel aan hem moest denken. Want Davids leven telde tal van zondige missers. Gelukkig gold van hem: ?U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde? (Psalm 32:5). David bedoelde tegen Sálomo te zeggen: Ik heb mijn God trouw gediend. Doe dat ook. God is het zo waard. Hij was zo goed voor mij. God had mij lief. Onbegrijpelijk! (1 Kronieken 28:4).
(Er)ken de God van je vader, Sálomo, ?dien Hem met een volkomen hart?(1 Kronieken 28:9). Dát is niet gering. Het hart is in de Bijbel centrum van het totale menselijk leven (Spreuken 4:23). God vraagt veel: Je kracht; je tijd; je handen en voeten; je ogen en oren; je hartstochten en begeerten. God vraagt alles van je, Sálomo! Het zou nog eeuwen duren voor Paulus werd geboren. Toch beschreef hij de strijd die op zo?n keuze volgt (Romeinen 7:22,23).
David zei: ?Geen twee heren dienen, jongen.? Geen halfslachtig leven leiden. Eeuwen later waren de Romeinen de baas in het gebied van de Middellandse Zee. Er heerste grote tolerantie. Je mocht allerlei goden dienen. Maar één ding mocht géén van de inwoners van dat grote rijk nalaten. Hij mocht niet weigeren goddelijke eer te bewijzen aan de Romeinse keizer. Door een offer aan hem te wijden. Dat konden christenen niet. Jezus was hun Heere.
Heb jij ook een vader, die je zó liefheeft dat hij je aanraadt God te dienen? Met een gewillige ziel. Ook dat woord ziel duidt op de totale menselijke persoonlijkheid. Het ?trouweloze? Juda dacht dat het wel kon (Jeremia 3:10). Maar de Heere Jezus gaf later dezelfde raad als David: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Denk er eens aan, als je achter je scherm zit. En als je er over denkt, waar je zaterdagavond heen wil!
Woensdag 25 april: Johannes 10:1-15 Kent de Heere jou?
Johannes 10:14: ?Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.?
Die Joodse man was blind geboren. Jezus genas hem. De farizeeërs zaten hen beiden dwars (Johannes 9:16). Farizeeërs bleken weinig pastoraal. Ze leken meer op moordenaars. Maar de Heere Jezus typeerde Zichzelf als het tegendeel. Als de goede Herder. ?Ik ken de Mijnen?, zei Hij. ?Ik stel Mijn leven voor de schapen? (Johannes 10:8-15). Zo?n herder leidt zijn schapen naar grazige weiden (Psalm 23:2). Hij beschermt z?n schapen tegen rovers en roofdieren. Er gaat er niet één verloren. Je bent veilig, als de goede Herder je kent!
De Heere Jezus gebruikte een gelijkenis. Zo?n aan het dagelijks leven ontleend, verzonnen verhaal, wil een belangrijke waarheid duidelijk te maken. Welke? De bij Adam en Eva begonnen zonde, had de dood tot gevolg (Genesis 2:17). Maar wat een wonder: het verlorene kan zalig worden. Er bestaat een uitverkiezing! (Eféze 1:3-6). Als God je zó kent, kan niemand je uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28). Je bent veilig. ?Het vaste fundament Gods staat? de Heere kent degenen die Zijne zijn (2 Timothéüs 2:19).
Kent de Heere jou ook? Natuurlijk, Petrus zei: ?Heere! Gij weet alle dingen? (Johannes 21:17). Maar kent de goede Herder jou als schaap? Zeg niet te gauw ?ja?. Want de schapen horen Zijn stem. Hij verwacht gehoorzaamheid van je. Als je bij Jezus hoort, luister je naar Zijn onderwijs. Je zingt net als David: ?Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.? Soms valt er nog maar één ding te belijden: ?Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten? (Psalm 119:10, 176).
De stem van de Heere Jezus is ook vol van genade. Hij kent Zijn schapen door en door. De goede Herder is als die vader die Zich ontfermt over de kinderen. Zo ?ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn? (Psalm 103:13,14).
Als de Heere jou kent, leerde jij de Heere kennen. Net als Paulus. Hij schreef: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16). Zo kennen schapen Zijn stem. Net als de bruid: ?Dat is de stem van mijn Liefste? (Hooglied 2:8). Welke stem volg ik? Jij? De stem van de slavendrijver uit de hel? Of die van de goede Herder?
Donderdag 26 april: Spreuken 3:1-7 (Er)ken God door Hem raad te vragen.
Spreuken 3:6: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.?
Je leest. Een roman. Een levensbeschrijving. Een studieboek. Je hebt het uit. Ken je dan de auteur? Niet echt. Je weet iets over zijn schrijfstijl. Over zijn interesse. Of over zijn fantasie. Maar je kent zo iemand pas echt ?en dan vaak nog maar een beetje? als je hem of haar persoonlijk ontmoet hebt. Pas als je intensief met iemand omgaat, hem achter z?n vestje kijkt, je hart voor elkaar hebt opengelegd, zeg je: ?Nu kennen wij elkaar.? Mozes kende God. Maar niet alleen uit een boekje. Van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10).
Sálomo adviseerde God de kennen, te raadplegen in al je wegen (Spreuken 3:6). Dus vraag Zijn raad bij alles wat je van plan bent en denkt op te pakken. Zoek Zijn wil voor al je doen en laten. En ten aanzien van je zwijgen en spreken. Dat is niet gering! Is dat mogelijk, als je God niet kent ?van aangezicht tot aangezicht?? Kun je Zijn wil kennen zonder persoonlijke relatie met de Heere? Zeg niet te snel: Nee. Want God, de grote Auteur achter de Bijbel, verschilt van alle andere schrijvers. Hij openbaarde Zichzelf en Zijn wil in dat boek (2 Petrus 1:19).
?Ken Hem in al uw wegen.? Misschien zeg je: ?Ja, juist, vanzelf. Als ik in moeilijkheden zit. Als ik voor levensraadsels sta. Dan moet ik mij natuurlijk tot God wenden. Zien of Hij mij een oplossing aan de hand wil doen.? Denk je dat Sálomo dat bedoelde? Dan zit je ernaast. De wijze koning gebruikte het woordje ?al?. Raadpleeg God ?in al uw wegen?. Dus ook als er helemaal geen sprake is van raadsels of problemen. Als je God vreest en de zonde haat, geeft het ?zonder Hem kan ik niets doen? (Johannes 15:5) steeds meer de toon aan in je leven.
Je zegt: ?Wacht even! Maar Sálomo beloofde wel: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Dus dan is er óók voor elke moeilijkheid een oplossing!? Wacht even! God gebruikt soms moeilijkheden om je aan te sporen tot gebed. Om je recht en echt afhankelijk te maken en te houden van Hem. Dan geldt: ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede? (Romeinen 8:28). Ook obstakels en moeilijkheden op je levensweg.
Vrijdag 27 april: Filippensen 3:2-16 Wie Christus kent, heeft alles!
Filippensen 3:8: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere.?
Saulus van Tarsen was ooit een brave farizeeër (Handelingen 23:6). Farizeeërs waren rechtzinnige, wettische mensen. Zij probeerden met hun eigen doen en laten God een plezier te doen. Zelfs, zoals Saulus, met het vervolgen van christenen. Maar op weg naar Damaskus verloor hij de macht over het stuur. De Heere Jezus kwam in z?n leven. Eerst ontdekkend. Saulus? zonden ontmaskerend (Handelingen 9:5). Maar ook met Zijn liefde en genade. Later schreef Paulus: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16).
Alle goede werken van Paulus hadden niks te betekenen. Nee, het was nog veel erger. Ze bleken in feite zondig. Ze waren onrein, een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6). En nu hoefde hij niet onder Gods rechtvaardig oordeel te sterven. Hij leerde Christus persoonlijk kennen. Hij kreeg genade. Leven. Dat vergeet je nooit meer! De apostel Johannes wist dat ook. Ooit viel zijn oog voor het eerst van z?n leven op Jezus als het Lam Gods. Onvergetelijk! Het was tien uur (Johannes 1:40). Wat kreeg Paulus de Heere Jezus onvoorstelbaar lief.
Hij typeerde z?n vroeger als verdiensten beschouwde goede werken als schade. Als vuilnis. Als drek (Filippensen 3:8). Dat kan betekenen: uitwerpsels van honden, of hondenvoer. In elk geval: vuile troep. Vergeleken bij het kennen van Christus, Zijn Persoon, Zijn werk, blijkt alles waardeloos. Want in dat kennen ligt het eeuwige leven (Johannes 17:3).
Je zult maar net als Paulus ontmaskerd worden als een vijand van God. Zo iemand heeft niet anders te verwachten dan de dood. Wat een niet in woorden uit te drukken wonder, als je voor het eerst in je leven ziet dat zo?n vijand nog met God verzoend kan raken en vrede bij God krijgen. Door Christus! (Romeinen 5:1,10). Je hoorde misschien twintig of dertig jaar over Jezus preken. Maar je had niks met Hem. Tot je jezelf als een doodschuldige vijand van God leerde kennen. Toen kwam het ogenblik dat Zijn dood waarde voor je kreeg. Heel persoonlijk.
Sommige mensen citeren graag de woorden van Paulus. Maar dan zo: ?om de uitnemendheid van Christus.? En zeker: Christus is een voortreffelijke Zaligmaker. Maar het gaat er wel om, of je Hem ooit persoonlijke hebt ontmoet, of er sprake is van een individuele relatie met die Zaligmaker. Het gaat om ?het kennen van Christus?.
Zaterdag 28 april: 1 Korinthe 13 Straks komt het volmaakte.
1 Korinthe 13:9: ?Wij kennen ten dele.?
Aan de andere kant van de golf van Korinthe lag het stadje Delphi. Daar was sprake van extatisch spreken onder heidense priesters en priesteressen. Dus indien je als christen in andere talen kon spreken, had je ook iets bijzonders. Maar Paulus relativeerde in zijn eerste de brief aan de christengemeente te Korinthe het belang van dat spreken in vreemde talen. De beste, de hoogste gave was voor hem niet tongentaal. Zelfs niet kennis (1 Korinthe 13:13).
Er is sprake van kennis. Natuurlijk. Je gaat niet voor niks op zondag naar de kerk. En in de week naar de catechisatie of de bijbelkring. Wij weten uit de Bijbel wat voor onze zaligheid nodig is. Gelukkig! De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort. Die leidt in al de waarheid. En Hij verheerlijkt Christus (Johannes 16:13,14). Dat betekent echter niet dat er geen raadsels overblijven. Maar als straks het volmaakte is gekomen, schreef Paulus, dan wordt alles wat ten dele is opgeheven, ongedaan gemaakt, teniet gedaan (1 Korinthe 13:10).
?Wij kennen ten dele? (1 Korinthe 13:9). Sommige mensen misbruiken die woorden om de waarheid van Gods Woord te relativeren. ?Och joh, waarom zouden die moslims, of die hindoes ook niet een stukje van de waarheid hebben. Je moet niet altijd denken dat jij zelf alleen de waarheid in pacht hebt.? Dat is in feite het denken van de huidige, postmoderne cultuur. De stiefdochter van die cultuur heet ietsisme. ?Er moet wel iets zijn, een soort hogere macht. Maar wij weten daar weinig van.? Zo redeneert ontkerstend West-Europa.
Maar je mag dat ?wij kennen ten dele? niet op die manier misbruiken. Denk eens eenvoudig aan de Heere Jezus. Kwam Hij om alle oudtestamentische wetten en ceremoniën af te keuren, ongedaan te maken, opzij te schuiven? Nee, Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen (Matthéüs 5:17). Zo is het ook met de kennis. Het kennen van God de Vader en de Heere Jezus en de Heilige Geest voor Gods kinderen zal op de jongste dag en daarna tot volkomenheid komen.
Dan houdt het ten dele kennen op. De raadsels die er nu nog zijn, de vragen, het niet begrijpen waarom de Heere niet anders met Zijn volk handelde, veranderen dan een lofzang. ?Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed? (Openbaring 5:9).
Zondag 15 april
Wees niet haantje de voorste, maar laat je leren. Matthéüs 13:54-58 ?Gekomen zijnde? leerde Hij hen in hun synagoge.?
Je leest pas de eerste keer over een synagoge in het Nieuwe Testament (Matthéüs 12:9). Want de synagoge is pas ontstaan in de tijd van de Babylonische ballingschap. De tempel was verwoest. Joden liepen gevaar zich aan te passen aan de cultuur van de heidense volken. Joden die Jehova niet wilden vergeten, probeerden een dam op te werpen tegen de geest van de tijd. Zij stichtten synagogen. Zo spoorden zij elkaar aan vast te houden aan het geloof der vaderen. Dat was niet verkeerd!
Een synagoge weerspiegelt een beetje de inrichting van de tempel in Jeruzalem. Tegenover ingang bevindt zich de ark, de bewaarplaats van de wetsrollen. De link is duidelijk. In de ark van het verbond die zich in de tempel bevond, lagen de twee stenen tafels met de Wet van de Tien geboden. Het heiligdom van de ark is in de synagoge van de publieksruimte gescheiden door een voorhangsel. Net als in de tempel. Tussen de ark en de gemeente staat de bima, de katheder vanwaar Schriften worden gelezen en uitgelegd.
Jakobus zei tijdens de eerste synode van de kerk, het apostelconvent: ?Mozes wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen? (Handelingen 15:21). De nadruk lag dus op het lezen van de profeten en het leren van de wetten van Mozes. De synagoge was ook een plaats voor gebed en een plek om onderwijs te krijgen. Van mensen die de betekenis van het Oude Testament wisten duidelijk te maken voor het doen en laten, het kiezen van de weg in de concrete, actuele situatie. Ook de Heere Jezus ging naar de synagoge. Hij onderwees Zijn ?medekerkgangers? (Matthéüs 13:54).
Wat deden de bezoekers van de synagoge? Er staat niet dat Jezus van hen leerde. Maar Hij onderwees hen. En dan mag je best een vergelijking maken met de kerk van nu. Misschien ben jij ook wel eens haantje de voorste. Net als Petrus die z?n zwaard greep (Johannes 18:10). Of verschuilt zich een schriftgeleerde in je hart die hoogmoedig vraagt: ?Zij wij dan ook blind?? (Johannes 9:40). Of heb je voor Jezus gekozen, zonder erbij na te denken dat je dat verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid? Weet je wat jij en ik vooral nodig hebben? Om ons door de Zaligmaker te laten onderwijzen! Hij is de Opperste Wijsheid (Spreuken 1:20).
Maandag 16 april
Wie is de baas in je leven? Openbaring 2:8-11 ?Ik weet? de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.?
De christenen in de gemeente van Smyrna waren arm, niet welvarend. En toch waren zij rijk (Openbaring 2:9). De rijkdom van gelovigen in Smyrna bestond in geestelijke goederen. Zij kenden Christus. Zij vertoonden Zijn beeld (Kolossenzen 3:10). De mensen in de gemeente van Smyrna waren herkenbaar als christen. Dat wekte felle tegenstand en aversie. Door leer en leven, door hun echt christelijk gedrag veroordeelden zij eigenlijk de Joden die zo prat gingen op hun goede godsdienst. En ook de heidense wereld met alle gemene afgoden
Toen de apostel Johannes tegen het jaar 90 Gods brief aan de gemeente te Smyrna schreef, zaten Joden de christenen dwars. Zij verbeeldden zich dat zij ijverden voor Gods wet. Ze zeggen dat ze Joden zijn, maar ze zijn die naam niet meer waard, schreef Johannes. En hun synagoge? Dat woord betekent in het Grieks: huis van samenkomst. Het Hebreeuws heeft daar ook een ander woord voor. Het spreekt over de knesset. Dat woord ken je waarschijnlijk. Het Israëlische parlement vergadert immers altijd in de het gebouw dat de Knesset heet.
In elk geval: de Joodse acties maken dat hun synagoge geen huis van God meer mag heten, schreef Johannes. Hij typeerde haar als synagoge des satans (Openbaring 2:9; 3:9). Want de Joden lasterden. Dat begrip heeft onder ons doorgaans de betekenis van kwaad spreken over iemand. Maar Johannes gebruikte een woord dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand.
Ben jij een echte christen? Of zeg je dat alleen maar, terwijl het niet waar is? Wie is de baas in jouw leven? Misschien voel jij je thuis in die gemeente te Smyrna. Je weet je niet welvarend. Maar je kunt God niet meer missen. Je haat de zonde. Je hebt Hem lief. En je ziet soms met vrees naar de toekomst. Hoeveel ruimte zal er nog overblijven voor christenen in Nederland? Als je verwantschap voelt met die christenen uit Smyrna, zegt Johannes het ook tegen jou: Vrees geen van de dingen, die je zult lijden. De duivel zal er een paar in gevangenis gooien. Maar wees getrouw tot de dood. Ik zal je de kroon des levens geven (Openbaring 2:10).
Dinsdag 17 april
Naar de kerk gaan: een goede gewoonte. Lukas 4:1-16 ?En Hij ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge.?
?Al die tradities! Ik verafschuw ze!? Misschien zeg je dat wel eens. Ik deed vroeger ook liever waar ik zelf zin in had. ?Al die gewoonten waar ik mij aan moet houden. Bah!? Maar is het niet opvallend, dat zelfs de Heere Jezus er gewoonten op nahield? Dat moeten goede gewoonten zijn! Hij ging, ?naar Zijn gewoonte?, op de dag van God, de sabbat, naar de synagoge (Lukas 4:16). Nou, dan doen jij en ik er stellig goed aan op de nieuwtestamentische dag van God, de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus, ook naar de kerk te gaan.
Het staat er niet maar één keertje, dat de Heere Jezus de synagoge opzocht. De evangelist Matthéüs zei over de Zaligmaker: ?Gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? (Matthéüs 13:54). Markus schreef: ?Zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden (Markus 1:21,22).
Dus de evangelisten vertelden dat Jezus ook in Zijn vaderland op de sabbat in de synagoge onderwijs begon te geven. ?Velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?? (Markus 6:1). Lukas zegt drie keer dat Jezus de synagoge bezocht. Jezus genas er zieken (Lukas 13:10-12). De schriftgeleerden en farizeeën waren razend. Maar Lukas zei ook: ?Hij werd door allen geprezen? (Lukas 4:15).
Sommige mensen antwoorden op de vraag: Wat ga je in de kerk doen: Zitten! Misschien op de galerij een beetje met je mobieltje zitten rommelen? Dat is verdrietig. Want dan koester je geen enkele verwachting van de Heere Jezus. Misschien interesseert het geloof je niet meer. Omdat je bij andere mensen in de kerk dingen zag, die voor God niet door de beugel kunnen. Dat komt voor. Helaas! Maar gaat het in de kerk om de mensen van de kerk, of om de Koning? De Heere Jezus ging Zelf op de sabbat naar de synagoge. En jij kunt in de kerk van Zijn onderwijs, heel persoonlijk, toch alleen maar beter worden?
Woensdag 18 april
Word jij ook nijdig als je hoort en ziet wat de Heere Jezus doet? Lukas 4:16-30 ?Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld.?
Misschien heb jij een bepaalde kijk op het ambt van predikant. Je houdt van een luxe huis. Villa, Volvo en Vakantie! Kostje gekocht? Nee, je zit er naast. Jezus zei: ?In de wereld zal je verdrukking hebben? (Johannes 16:33). Droefenis, ellende, tegenspoed! ?Allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen worden vervolgd? (2 Timothéüs 3:12). Dat overkwam de Heere Jezus Zelf. Zijn dorpsgenoten uit Nazareth wilden Hem in een ravijn gooien (Lukas 4:29). En een dienstknecht, een dominee, ?is niet meer dan zijn heer? (Johannes 15:20).
Er was telkens sprake van gedoe rond Jezus. Hij was opgevoed in Nazareth (Matthéüs 2:23; Lukas 4:16). Op de sabbat, ging Hij, net als andere mensen, naar de synagoge. Daar las Hij, net als andere mannen, uit de wet of de profeten. Zo las Hij in Nazareth uit Jesaja. In die tijd was er nog geen sprake van een hoofdstukindeling. De Heere Jezus las: ?De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen? (Jesaja 61:1). Nou, zei Hij: Dat gaat over Mij (Lukas 4:21).
Toen Hij ook nog Naäman, de Syriër, prees boven de ongelovige Israëlieten en de mensen uit Nazareth, die Hem slechts erkenden als zoon van Jozef, werden die luitjes in de synagoge toch kwaad (Lukas 4:28). Zulke dingen gebeurden trouwens telkens. Bij voorbeeld toen de Heere Jezus op de sabbat in de synagoge een mens met een verschrompelde, krachteloze hand genas. Wat toonden die farizeeën zich boos. Zij ?hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten? (Matthéüs 12:13,14). Zoiets ook gebeurde rond de genezing van een bezetene (Lukas 4:33). De farizeeën vonden zichzelf te goed voor Jezus. Ze wisten zich geen zondaar. Ze vonden zichzelf uitstekende kerkmensen. Ze dachten Jezus? plaatsbekledend lijden en sterven en Zijn opstandingskracht (Eféze 2:1) niet nodig te hebben. Als de Heere Jezus wonderen deed bij mensen die Hem wel nodig hadden, gingen ze Jezus? werk afkammen.
Je moet niet raar kijken als het ook nu in de kerk rumoert. Als er droefenis, ellende, tegenspoed zijn. Als er scheiding van geesten is (1 Korinthe 11:19). Maar de grote vraag is waar jij staat in de kerk. Word jij ook nijdig als je ziet wat Jezus doet? Of verheug je je daarover?
Donderdag 19 april
Paulus begon telkens in de synagoge; en jij? Handelingen 17:1-10 ?? te Thessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in??.
Paulus besloot in Athene niet in z?n eentje op de Areópagus te gaan kijken en praten. Mensen trokken hem erheen, brachten hem op die plaats (Handelingen 17:19). Waar ging de apostel altijd eerst heen? Naar de synagoge, het leerhuis, de kerk. En is dan de gang van zaken voor jou en mij niet onvoorstelbaar? Stel je voor dat er een wildvreemde zendeling uit Israël binnenstapt in ons kerkgebouw. Hij wil z?n boodschap kwijt. Niemand van de ambtsdragers geeft toestemming. ?Kerkordelijk kan dat niet. En wij hebben toch al de waarheid!?
In de synagogen in het gebied van de Middellandse Zee ging dat zichtbaar anders. Joden hadden kennelijk iets met elkaar. De apostel kwam in Antiochië, een stad in Pisidië, dus midden in het huidige Turkije. Hij zocht de synagoge op. En wat zei de overste van de synagoge? ?Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt? (Handelingen 13:15). In Ikonium voerden Paulus en Barnabas ook het woord in de synagoge. ?Een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde? (Handelingen 14:1).
Telkens bezocht Paulus tijdens zendingsreizen de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10), te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Om ze de boodschap te brengen. Ja, zeg je: Toen kon dat nog. Maar na de massamoord op Joden in de Tweede Wereldoorlog, kun je dat beter laten. O ja? Natuurlijk moet je de boodschap van de Heere Jezus altijd met respect en voorzichtigheid brengen. Maar ellendige gebeurtenissen en menselijk falen zoals in de holocaust mogen een bijbelse opdracht (Lukas 24:47) niet verdringen!
Ik ga die wildvreemde zendeling uit Israël ?of van welke plek ter wereld ook? niet uitnodigen op onze kansel. Akkoord, dat is te riskant. Johannes spoorde aan om de leer zuiver te houden (2 Johannes:9). En Paulus waarschuwde Timothéüs om toe te zien op de leer (1 Timothéüs 6:3). De geloofsleer mag een staf zijn om te gaan en een stok om te slaan.
Maar heb jij ooit een synagoge bezocht? Ik bedoel: Probeerde je ooit medemensen, Nederlandse heidenen, maar misschien ook Joden jaloers te maken? De achttiende-eeuwse predikant A. Hellenbroek typeerde als hinderpaal voor het komen van Joden tot hun Messias, Jezus van Nazareth ?dat wijzelf niet wandelen in het licht des Heeren.? Dat geldt ook voor heidenen.
Vrijdag 20 april
Dagelijks Schriftonderzoek: voorbeeldig! Handelingen 17:10-18 ?Paulus en Silas? naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; en dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren.?
Eindelijk wachtte Paulus en Silas een echte preekstoel. De overheid van Filippi had hen vriendelijk, doch voortvarend verzocht te vertrekken (Handelingen 16:39). De grote Romeinse weg, de Via Egnatia, voerde hen langs steden als Amfipolis en Apolonia. Eenmaal Thessalonica binnengelopen, vonden ze een synagoge. Op die plek begonnen ze gelijk de boodschap te brengen. Na drie sabbatten bleken Joden nijdig. Ze veroorzaakten een rel. Zij riepen de hulp in van een paar schurkachtige leeglopers van de markt (Handelingen 17:1,2,5).
Het eind van het liedje was dat Paulus en Silas naar Beréa vertrokken. Daar waren de Joden ?edeler, dan die in Thessalonica? (Handelingen 17:11). Het centrum van die oude Griekse stad toont nog altijd een monument voor Paulus met mooie mozaïeken. Het gedenkteken verbeeldt Paulus? visioen. ?Kom over in Macedonië en help ons? (Handelingen 16:9). De zee is zichtbaar. Het schip ligt klaar. Het monument laat ook Paulus? preek in Beréa zien. Is het anno 2012 een beetje gedaan met de edelheid in Beréa? Moslims konden het althans niet laten dichtbij het gedenkteken een forse moskee te bouwen.
Waarom waren die Joden van Beréa nou edeler dan die uit Thessalonica? De Heere Jezus had gezegd: ?Die in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat? (Matthéüs 13:23). En wat deden die Joden uit Beréa? Zij ?ontvingen het Woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren? (Handelingen 17:11). Dus ze baseerde zich niet op praatjes, of menselijke goed- of afkeuring, of op horen zeggen. Maar begeerden hun levenshuis op het Woord te bouwen. Dat is mooi!
Die Joden uit Beréa vormen een voorbeeld voor jou en mij. Ze gingen er niet een avondje voor zitten om daarna ?de Schriften? ?het Oude Testament (2 Korinthe 3:14)? te sluiten. Ze waren dagelijks bezig met onderzoek, of Paulus gelijk had. ?Of deze dingen alzo waren.? De apostel had gelijk. Hij was, onderweg naar Damascus, door de Heere Jezus eerlijk gemaakt. Maar hij was van huis uit farizeeër. Hij kende ?de Schriften? als geen ander. Hij preekte al direct na zijn bekering in de synagogen, dat Christus Gods Zoon is (Handelingen 9:20).
Overigens: hoe ga jij, hoe ga ik te werk? Waar horen wij bij? Bij de Joden uit Thessalonica? Of bij die van Beréa?
Zaterdag 21 april
Heb jij, net als Crispus, je leven over voor het Evangelie? Handelingen 18:1-8 ?En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis.?
De stad Korinthe werd verwoest in 146 voor Christus. Een eeuw later gaf de Romeinse keizer Julius Caesar bevel Korinthe te herbouwen. Het werd een kolonie. Die bleek vooral bevolkt door Romeinse vrijgelatenen, voormalige slaven. De bewoners van een kolonie waren meestal geen makkelijke jongens. Individualisten. Mensen die een beetje bijsturing nodig hadden. Korinthe lag bovendien op een landengte. Vanaf de ene kant was het goed mogelijk naar Rome te varen. Vanaf de andere kant voer je naar Eféze en Smyrna. Vanwege die ligging trok Korinthe een internationale mengelmoes aan van avonturiers: kooplui, havenwerkers, slaven.
Vooral de eredienst van Aphrodite, de godin van de liefde, zorgde met haar honderden priesteressen die ?gewijde? ontucht bedreven voor een onvoorstelbaar brute zedeloosheid en losbandigheid. De Grieken zelf, de oorspronkelijk in deze streken wonende mensen, betitelden een zedeloos mens als ?een Korinthiër?.
Er woonden ook Joden in Korinthe. Dat waren relatief nette mensen. Maar toen Paulus ze in de synagoge het Evangelie ging preken, werden zij heel erg nijdig. Lukas schreef dat de Joden ?wederstonden en lasterden? (Handelingen 18:6). Daar mag je niet te gering over denken. Want voor dat woord lasteren gebruikte Lukas een begrip dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand. Paulus zag zich genoodzaakt z?n biezen te pakken. Ik zal voortaan voor de heidenen gaan preken, zei hij.
En toch? Er was een eenling. Crispus. Hij geloofde! En Crispus was nog niet eens de eerste de beste. Nee, hij was overste van de synagoge. Dat was eigenlijk een soort kerkenraadslid. Hij zorgde voor de orde in en behartigde de belangen van de synagoge. Jaïrus was ook zo iemand (Markus 5:22). Die Crispus durfde. Wat had de Heere Jezus ook al weer gezegd? ?Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen God een dienst te doen? (Johannes 16:2). Dat riskeerde Crispus. Dus het geloof van Crispus moet heel diep gezeten hebben. In elk geval heeft Paulus hem ook gedoopt (1 Korinthe 1:14). Crispus geloofde en z?n hele gezin ging mee.
Zou jij ook zo?n Crispus willen zijn? Zou je je leven over hebben voor het Evangelie?
Geplaatst op: 13-04-2012
Bijbelrooster zondag 8 april t/m zaterdag 14 april
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Opgestaan ? opgewekt?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Zondag 22 april: Exodus 5:1-9 (Er)ken jij God?
Exodus 5:2: ?Ik ken de HEERE niet.?
Je zit in de huiskamer. Je kijkt door het raam. Je ziet over de stoep aan de andere kant van de straat een man lopen. Je weet zijn naam niet. Je hebt hem nooit ontmoet. Ken je hem dan? Nee, natuurlijk niet! Je kent iemand niet, als je hem slechts voorbij ziet lopen. Kennis is niet louter theoretisch inzicht of praktische informatie paraat hebben. Als je iets kent, heb je er ervaring mee, dan ben je er vertrouwd mee. Als je iemand kent, komt dat, omdat je met hem omging. Je hebt hem persoonlijk ontmoet, gezien, gehoord. Je weet iets van z?n karakter.
Zo kende de farao, de koning van Egypte, Israëls God niet, de HEERE die een verbond sloot met Zijn volk. Farao liet het tot slavernij vervallen volk niet vertrekken. Hij verzwaarde de lasten van Israël (Exodus 5:7). Daar zat meer achter: vijandschap. De farao was zo?n goddeloze, die zegt: ?Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?? (Job 21:15). Hij weigerde God te (er)kennen. Dat brak hem zuur op. Want het gevolg was dat de Egyptenaren en de farao God leerden kennen in Zijn toorn! De HEERE streed voor Israël (Exodus 14:25).
Zit jij anders in elkaar dan de farao? Voel je je beter dan Petrus? Die zat bij het vuur in het huis van de hogepriester (Johannes 18:24). Hij ontkende drie keer dat hij Jezus, z?n Meester kende. Toen de haan kraaide, ging Petrus huilend naar buiten (Lukas 22:62). Wat zouden jij en ik gedaan hebben? God en Jezus (er)kennen? Moeilijke vraag! Of niet? Adam en Eva begonnen met God niet te (er)kennen. Toen ze naar de slang luisterden (Genesis 3:4-6). Zit dat weigeren om God te (er)kennen jou en mij dan eigenlijk niet in de genen?
De farao zei: ?Ik ken de HEERE niet? (Exodus 5:2). Het aantal mensen in ons land dat zijn woorden beaamt, neemt toe. Kijk naar de kerkverlating. Maar binnen de kerk leven mensen die er feitelijk niet anders over denken. Omdat er bij hen geen enkele betrokkenheid bestaat op de daar gehoorde boodschap van zonde en genade. Jij bent toch niet zo iemand? Want met de farao liep het fout af. Je kunt beter bij dat Gods volk horen. Van hen geldt: ?Zij zullen Mij allen kennen? (Jeremia 31:34).
Maandag 23 april: Jeremia 3:6-14 Ken jij je zonde?
Jeremia 3:13: ?Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden.?
Jeremia vergeleek de relatie van God met Juda en Israël met een huwelijk. Zowel Juda, de twee stammen, als Israël, de tien stammen, schond die relatie. Zoals een vrouw die er af en toe met een ander van door gaat (Jeremia 3:1,2). De Heere Jezus zei veel later: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Het ?trouweloze? Juda dacht echter dat dit wel kon (Jeremia 3:10). Want tijdens de regering van Josia was sprake van een reformatie (2 Koningen 23). Maar die volksbekering bleek schijn. Juda maakte het later erger dan Israël (Jeremia 3:11). Daarom riep God juist Israël weer tot bekering: ?Ken uw ongerechtigheid? (Jeremia 3:13).
Wat antwoord je, als iemand tegen jou zegt: ?Ken je ongerechtigheid, je wetteloosheid, je zonde?? ?Nou ja?, zeg je misschien: ?Dan moet ik natuurlijk erkennen dat ik een zondaar ben. Nou, dat ben ik wel hoor. Vanzelfsprekend.?
Wacht even: Je kunt met prachtige woorden allerlei als vanzelfsprekend beschouwde dingen belijden. Dat gebeurt. Ook vanaf veel kansels. Zo hoort het toch? Zeker. Maar om iets te erkennen, moet je het eerst kennen. Wat heb je aan erkennen van zonde als er geen kennen voorafgaat? Ervaar je de pijn niet van het schuldig ongehoorzaam zijn? Is er dan geen sprake van een lege schuldbekentenis, zonder waarde?
Kennen is in de Bijbel ervaringskennis. Bij het kennen van God ben je in de Bijbel als mens met je hele bestaan betrokken. Niet alleen met je redenerende verstand. Zo ben je ook met je hele bestaan betrokken bij het zondigen. Je zondigt niet in de ruimte, maar tegen Iemand. Tegen God. Als je Hem niet kent, ken je de zonde niet op de ?goede? manier. Je ervaart geen pijn, omdat je de goede God verdriet doet.
?Ken uw ongerechtigheid?! Is dat niet om bang van te worden? Misschien wel. Maar als God in je leven kwam, weet je dat Hij recht heeft op jouw liefde en gehoorzaamheid. Misschien zing je met David: ?Ik ken mijn overtredingen? (Psalm 51:5). Dan is vast ook dat andere lied je lief: ?Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, ken mijn gedachten? (Psalm 139:23). En je weet toch dat zonden kennen, erkennen, belijden de weg vormt naar vergeving (Psalm 32:5)? ?Ik zal u aannemen?, zei de HEERE (Jeremia 3:14).
Dinsdag 24 april: 1 Kronieken 28:1-10 (Er)ken en dien de Heere!
1 Kronieken 28:9: ?Ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel.?
Heb jij ook zo?n vader als David was? Hij mocht geen tempel bouwen (1 Kronieken 22:8). Sálomo moest het doen. Maar denk erom jongen, zei vader David: ?Ken de God van uw vader? (1 Kronieken 28:6,9). Dus de oude koning vroeg niet of Sálomo veel aan z?n vader wilde denken. Hij moest vooral de God van z?n vader in gedachten houden. Sálomo moest die God erkennen, liefhebben en gehoorzamen. Heeft jouw vader zo ook het goede met jou voor?
David had weinig reden om te zeggen dat Sálomo veel aan hem moest denken. Want Davids leven telde tal van zondige missers. Gelukkig gold van hem: ?U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde? (Psalm 32:5). David bedoelde tegen Sálomo te zeggen: Ik heb mijn God trouw gediend. Doe dat ook. God is het zo waard. Hij was zo goed voor mij. God had mij lief. Onbegrijpelijk! (1 Kronieken 28:4).
(Er)ken de God van je vader, Sálomo, ?dien Hem met een volkomen hart?(1 Kronieken 28:9). Dát is niet gering. Het hart is in de Bijbel centrum van het totale menselijk leven (Spreuken 4:23). God vraagt veel: Je kracht; je tijd; je handen en voeten; je ogen en oren; je hartstochten en begeerten. God vraagt alles van je, Sálomo! Het zou nog eeuwen duren voor Paulus werd geboren. Toch beschreef hij de strijd die op zo?n keuze volgt (Romeinen 7:22,23).
David zei: ?Geen twee heren dienen, jongen.? Geen halfslachtig leven leiden. Eeuwen later waren de Romeinen de baas in het gebied van de Middellandse Zee. Er heerste grote tolerantie. Je mocht allerlei goden dienen. Maar één ding mocht géén van de inwoners van dat grote rijk nalaten. Hij mocht niet weigeren goddelijke eer te bewijzen aan de Romeinse keizer. Door een offer aan hem te wijden. Dat konden christenen niet. Jezus was hun Heere.
Heb jij ook een vader, die je zó liefheeft dat hij je aanraadt God te dienen? Met een gewillige ziel. Ook dat woord ziel duidt op de totale menselijke persoonlijkheid. Het ?trouweloze? Juda dacht dat het wel kon (Jeremia 3:10). Maar de Heere Jezus gaf later dezelfde raad als David: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Denk er eens aan, als je achter je scherm zit. En als je er over denkt, waar je zaterdagavond heen wil!
Woensdag 25 april: Johannes 10:1-15 Kent de Heere jou?
Johannes 10:14: ?Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.?
Die Joodse man was blind geboren. Jezus genas hem. De farizeeërs zaten hen beiden dwars (Johannes 9:16). Farizeeërs bleken weinig pastoraal. Ze leken meer op moordenaars. Maar de Heere Jezus typeerde Zichzelf als het tegendeel. Als de goede Herder. ?Ik ken de Mijnen?, zei Hij. ?Ik stel Mijn leven voor de schapen? (Johannes 10:8-15). Zo?n herder leidt zijn schapen naar grazige weiden (Psalm 23:2). Hij beschermt z?n schapen tegen rovers en roofdieren. Er gaat er niet één verloren. Je bent veilig, als de goede Herder je kent!
De Heere Jezus gebruikte een gelijkenis. Zo?n aan het dagelijks leven ontleend, verzonnen verhaal, wil een belangrijke waarheid duidelijk te maken. Welke? De bij Adam en Eva begonnen zonde, had de dood tot gevolg (Genesis 2:17). Maar wat een wonder: het verlorene kan zalig worden. Er bestaat een uitverkiezing! (Eféze 1:3-6). Als God je zó kent, kan niemand je uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28). Je bent veilig. ?Het vaste fundament Gods staat? de Heere kent degenen die Zijne zijn (2 Timothéüs 2:19).
Kent de Heere jou ook? Natuurlijk, Petrus zei: ?Heere! Gij weet alle dingen? (Johannes 21:17). Maar kent de goede Herder jou als schaap? Zeg niet te gauw ?ja?. Want de schapen horen Zijn stem. Hij verwacht gehoorzaamheid van je. Als je bij Jezus hoort, luister je naar Zijn onderwijs. Je zingt net als David: ?Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.? Soms valt er nog maar één ding te belijden: ?Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten? (Psalm 119:10, 176).
De stem van de Heere Jezus is ook vol van genade. Hij kent Zijn schapen door en door. De goede Herder is als die vader die Zich ontfermt over de kinderen. Zo ?ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn? (Psalm 103:13,14).
Als de Heere jou kent, leerde jij de Heere kennen. Net als Paulus. Hij schreef: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16). Zo kennen schapen Zijn stem. Net als de bruid: ?Dat is de stem van mijn Liefste? (Hooglied 2:8). Welke stem volg ik? Jij? De stem van de slavendrijver uit de hel? Of die van de goede Herder?
Donderdag 26 april: Spreuken 3:1-7 (Er)ken God door Hem raad te vragen.
Spreuken 3:6: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.?
Je leest. Een roman. Een levensbeschrijving. Een studieboek. Je hebt het uit. Ken je dan de auteur? Niet echt. Je weet iets over zijn schrijfstijl. Over zijn interesse. Of over zijn fantasie. Maar je kent zo iemand pas echt ?en dan vaak nog maar een beetje? als je hem of haar persoonlijk ontmoet hebt. Pas als je intensief met iemand omgaat, hem achter z?n vestje kijkt, je hart voor elkaar hebt opengelegd, zeg je: ?Nu kennen wij elkaar.? Mozes kende God. Maar niet alleen uit een boekje. Van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10).
Sálomo adviseerde God de kennen, te raadplegen in al je wegen (Spreuken 3:6). Dus vraag Zijn raad bij alles wat je van plan bent en denkt op te pakken. Zoek Zijn wil voor al je doen en laten. En ten aanzien van je zwijgen en spreken. Dat is niet gering! Is dat mogelijk, als je God niet kent ?van aangezicht tot aangezicht?? Kun je Zijn wil kennen zonder persoonlijke relatie met de Heere? Zeg niet te snel: Nee. Want God, de grote Auteur achter de Bijbel, verschilt van alle andere schrijvers. Hij openbaarde Zichzelf en Zijn wil in dat boek (2 Petrus 1:19).
?Ken Hem in al uw wegen.? Misschien zeg je: ?Ja, juist, vanzelf. Als ik in moeilijkheden zit. Als ik voor levensraadsels sta. Dan moet ik mij natuurlijk tot God wenden. Zien of Hij mij een oplossing aan de hand wil doen.? Denk je dat Sálomo dat bedoelde? Dan zit je ernaast. De wijze koning gebruikte het woordje ?al?. Raadpleeg God ?in al uw wegen?. Dus ook als er helemaal geen sprake is van raadsels of problemen. Als je God vreest en de zonde haat, geeft het ?zonder Hem kan ik niets doen? (Johannes 15:5) steeds meer de toon aan in je leven.
Je zegt: ?Wacht even! Maar Sálomo beloofde wel: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Dus dan is er óók voor elke moeilijkheid een oplossing!? Wacht even! God gebruikt soms moeilijkheden om je aan te sporen tot gebed. Om je recht en echt afhankelijk te maken en te houden van Hem. Dan geldt: ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede? (Romeinen 8:28). Ook obstakels en moeilijkheden op je levensweg.
Vrijdag 27 april: Filippensen 3:2-16 Wie Christus kent, heeft alles!
Filippensen 3:8: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere.?
Saulus van Tarsen was ooit een brave farizeeër (Handelingen 23:6). Farizeeërs waren rechtzinnige, wettische mensen. Zij probeerden met hun eigen doen en laten God een plezier te doen. Zelfs, zoals Saulus, met het vervolgen van christenen. Maar op weg naar Damaskus verloor hij de macht over het stuur. De Heere Jezus kwam in z?n leven. Eerst ontdekkend. Saulus? zonden ontmaskerend (Handelingen 9:5). Maar ook met Zijn liefde en genade. Later schreef Paulus: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16).
Alle goede werken van Paulus hadden niks te betekenen. Nee, het was nog veel erger. Ze bleken in feite zondig. Ze waren onrein, een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6). En nu hoefde hij niet onder Gods rechtvaardig oordeel te sterven. Hij leerde Christus persoonlijk kennen. Hij kreeg genade. Leven. Dat vergeet je nooit meer! De apostel Johannes wist dat ook. Ooit viel zijn oog voor het eerst van z?n leven op Jezus als het Lam Gods. Onvergetelijk! Het was tien uur (Johannes 1:40). Wat kreeg Paulus de Heere Jezus onvoorstelbaar lief.
Hij typeerde z?n vroeger als verdiensten beschouwde goede werken als schade. Als vuilnis. Als drek (Filippensen 3:8). Dat kan betekenen: uitwerpsels van honden, of hondenvoer. In elk geval: vuile troep. Vergeleken bij het kennen van Christus, Zijn Persoon, Zijn werk, blijkt alles waardeloos. Want in dat kennen ligt het eeuwige leven (Johannes 17:3).
Je zult maar net als Paulus ontmaskerd worden als een vijand van God. Zo iemand heeft niet anders te verwachten dan de dood. Wat een niet in woorden uit te drukken wonder, als je voor het eerst in je leven ziet dat zo?n vijand nog met God verzoend kan raken en vrede bij God krijgen. Door Christus! (Romeinen 5:1,10). Je hoorde misschien twintig of dertig jaar over Jezus preken. Maar je had niks met Hem. Tot je jezelf als een doodschuldige vijand van God leerde kennen. Toen kwam het ogenblik dat Zijn dood waarde voor je kreeg. Heel persoonlijk.
Sommige mensen citeren graag de woorden van Paulus. Maar dan zo: ?om de uitnemendheid van Christus.? En zeker: Christus is een voortreffelijke Zaligmaker. Maar het gaat er wel om, of je Hem ooit persoonlijke hebt ontmoet, of er sprake is van een individuele relatie met die Zaligmaker. Het gaat om ?het kennen van Christus?.
Zaterdag 28 april: 1 Korinthe 13 Straks komt het volmaakte.
1 Korinthe 13:9: ?Wij kennen ten dele.?
Aan de andere kant van de golf van Korinthe lag het stadje Delphi. Daar was sprake van extatisch spreken onder heidense priesters en priesteressen. Dus indien je als christen in andere talen kon spreken, had je ook iets bijzonders. Maar Paulus relativeerde in zijn eerste de brief aan de christengemeente te Korinthe het belang van dat spreken in vreemde talen. De beste, de hoogste gave was voor hem niet tongentaal. Zelfs niet kennis (1 Korinthe 13:13).
Er is sprake van kennis. Natuurlijk. Je gaat niet voor niks op zondag naar de kerk. En in de week naar de catechisatie of de bijbelkring. Wij weten uit de Bijbel wat voor onze zaligheid nodig is. Gelukkig! De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort. Die leidt in al de waarheid. En Hij verheerlijkt Christus (Johannes 16:13,14). Dat betekent echter niet dat er geen raadsels overblijven. Maar als straks het volmaakte is gekomen, schreef Paulus, dan wordt alles wat ten dele is opgeheven, ongedaan gemaakt, teniet gedaan (1 Korinthe 13:10).
?Wij kennen ten dele? (1 Korinthe 13:9). Sommige mensen misbruiken die woorden om de waarheid van Gods Woord te relativeren. ?Och joh, waarom zouden die moslims, of die hindoes ook niet een stukje van de waarheid hebben. Je moet niet altijd denken dat jij zelf alleen de waarheid in pacht hebt.? Dat is in feite het denken van de huidige, postmoderne cultuur. De stiefdochter van die cultuur heet ietsisme. ?Er moet wel iets zijn, een soort hogere macht. Maar wij weten daar weinig van.? Zo redeneert ontkerstend West-Europa.
Maar je mag dat ?wij kennen ten dele? niet op die manier misbruiken. Denk eens eenvoudig aan de Heere Jezus. Kwam Hij om alle oudtestamentische wetten en ceremoniën af te keuren, ongedaan te maken, opzij te schuiven? Nee, Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen (Matthéüs 5:17). Zo is het ook met de kennis. Het kennen van God de Vader en de Heere Jezus en de Heilige Geest voor Gods kinderen zal op de jongste dag en daarna tot volkomenheid komen.
Dan houdt het ten dele kennen op. De raadsels die er nu nog zijn, de vragen, het niet begrijpen waarom de Heere niet anders met Zijn volk handelde, veranderen dan een lofzang. ?Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed? (Openbaring 5:9).
Zondag 15 april
Wees niet haantje de voorste, maar laat je leren. Matthéüs 13:54-58 ?Gekomen zijnde? leerde Hij hen in hun synagoge.?
Je leest pas de eerste keer over een synagoge in het Nieuwe Testament (Matthéüs 12:9). Want de synagoge is pas ontstaan in de tijd van de Babylonische ballingschap. De tempel was verwoest. Joden liepen gevaar zich aan te passen aan de cultuur van de heidense volken. Joden die Jehova niet wilden vergeten, probeerden een dam op te werpen tegen de geest van de tijd. Zij stichtten synagogen. Zo spoorden zij elkaar aan vast te houden aan het geloof der vaderen. Dat was niet verkeerd!
Een synagoge weerspiegelt een beetje de inrichting van de tempel in Jeruzalem. Tegenover ingang bevindt zich de ark, de bewaarplaats van de wetsrollen. De link is duidelijk. In de ark van het verbond die zich in de tempel bevond, lagen de twee stenen tafels met de Wet van de Tien geboden. Het heiligdom van de ark is in de synagoge van de publieksruimte gescheiden door een voorhangsel. Net als in de tempel. Tussen de ark en de gemeente staat de bima, de katheder vanwaar Schriften worden gelezen en uitgelegd.
Jakobus zei tijdens de eerste synode van de kerk, het apostelconvent: ?Mozes wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen? (Handelingen 15:21). De nadruk lag dus op het lezen van de profeten en het leren van de wetten van Mozes. De synagoge was ook een plaats voor gebed en een plek om onderwijs te krijgen. Van mensen die de betekenis van het Oude Testament wisten duidelijk te maken voor het doen en laten, het kiezen van de weg in de concrete, actuele situatie. Ook de Heere Jezus ging naar de synagoge. Hij onderwees Zijn ?medekerkgangers? (Matthéüs 13:54).
Wat deden de bezoekers van de synagoge? Er staat niet dat Jezus van hen leerde. Maar Hij onderwees hen. En dan mag je best een vergelijking maken met de kerk van nu. Misschien ben jij ook wel eens haantje de voorste. Net als Petrus die z?n zwaard greep (Johannes 18:10). Of verschuilt zich een schriftgeleerde in je hart die hoogmoedig vraagt: ?Zij wij dan ook blind?? (Johannes 9:40). Of heb je voor Jezus gekozen, zonder erbij na te denken dat je dat verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid? Weet je wat jij en ik vooral nodig hebben? Om ons door de Zaligmaker te laten onderwijzen! Hij is de Opperste Wijsheid (Spreuken 1:20).
Maandag 16 april
Wie is de baas in je leven? Openbaring 2:8-11 ?Ik weet? de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.?
De christenen in de gemeente van Smyrna waren arm, niet welvarend. En toch waren zij rijk (Openbaring 2:9). De rijkdom van gelovigen in Smyrna bestond in geestelijke goederen. Zij kenden Christus. Zij vertoonden Zijn beeld (Kolossenzen 3:10). De mensen in de gemeente van Smyrna waren herkenbaar als christen. Dat wekte felle tegenstand en aversie. Door leer en leven, door hun echt christelijk gedrag veroordeelden zij eigenlijk de Joden die zo prat gingen op hun goede godsdienst. En ook de heidense wereld met alle gemene afgoden
Toen de apostel Johannes tegen het jaar 90 Gods brief aan de gemeente te Smyrna schreef, zaten Joden de christenen dwars. Zij verbeeldden zich dat zij ijverden voor Gods wet. Ze zeggen dat ze Joden zijn, maar ze zijn die naam niet meer waard, schreef Johannes. En hun synagoge? Dat woord betekent in het Grieks: huis van samenkomst. Het Hebreeuws heeft daar ook een ander woord voor. Het spreekt over de knesset. Dat woord ken je waarschijnlijk. Het Israëlische parlement vergadert immers altijd in de het gebouw dat de Knesset heet.
In elk geval: de Joodse acties maken dat hun synagoge geen huis van God meer mag heten, schreef Johannes. Hij typeerde haar als synagoge des satans (Openbaring 2:9; 3:9). Want de Joden lasterden. Dat begrip heeft onder ons doorgaans de betekenis van kwaad spreken over iemand. Maar Johannes gebruikte een woord dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand.
Ben jij een echte christen? Of zeg je dat alleen maar, terwijl het niet waar is? Wie is de baas in jouw leven? Misschien voel jij je thuis in die gemeente te Smyrna. Je weet je niet welvarend. Maar je kunt God niet meer missen. Je haat de zonde. Je hebt Hem lief. En je ziet soms met vrees naar de toekomst. Hoeveel ruimte zal er nog overblijven voor christenen in Nederland? Als je verwantschap voelt met die christenen uit Smyrna, zegt Johannes het ook tegen jou: Vrees geen van de dingen, die je zult lijden. De duivel zal er een paar in gevangenis gooien. Maar wees getrouw tot de dood. Ik zal je de kroon des levens geven (Openbaring 2:10).
Dinsdag 17 april
Naar de kerk gaan: een goede gewoonte. Lukas 4:1-16 ?En Hij ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge.?
?Al die tradities! Ik verafschuw ze!? Misschien zeg je dat wel eens. Ik deed vroeger ook liever waar ik zelf zin in had. ?Al die gewoonten waar ik mij aan moet houden. Bah!? Maar is het niet opvallend, dat zelfs de Heere Jezus er gewoonten op nahield? Dat moeten goede gewoonten zijn! Hij ging, ?naar Zijn gewoonte?, op de dag van God, de sabbat, naar de synagoge (Lukas 4:16). Nou, dan doen jij en ik er stellig goed aan op de nieuwtestamentische dag van God, de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus, ook naar de kerk te gaan.
Het staat er niet maar één keertje, dat de Heere Jezus de synagoge opzocht. De evangelist Matthéüs zei over de Zaligmaker: ?Gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? (Matthéüs 13:54). Markus schreef: ?Zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden (Markus 1:21,22).
Dus de evangelisten vertelden dat Jezus ook in Zijn vaderland op de sabbat in de synagoge onderwijs begon te geven. ?Velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?? (Markus 6:1). Lukas zegt drie keer dat Jezus de synagoge bezocht. Jezus genas er zieken (Lukas 13:10-12). De schriftgeleerden en farizeeën waren razend. Maar Lukas zei ook: ?Hij werd door allen geprezen? (Lukas 4:15).
Sommige mensen antwoorden op de vraag: Wat ga je in de kerk doen: Zitten! Misschien op de galerij een beetje met je mobieltje zitten rommelen? Dat is verdrietig. Want dan koester je geen enkele verwachting van de Heere Jezus. Misschien interesseert het geloof je niet meer. Omdat je bij andere mensen in de kerk dingen zag, die voor God niet door de beugel kunnen. Dat komt voor. Helaas! Maar gaat het in de kerk om de mensen van de kerk, of om de Koning? De Heere Jezus ging Zelf op de sabbat naar de synagoge. En jij kunt in de kerk van Zijn onderwijs, heel persoonlijk, toch alleen maar beter worden?
Woensdag 18 april
Word jij ook nijdig als je hoort en ziet wat de Heere Jezus doet? Lukas 4:16-30 ?Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld.?
Misschien heb jij een bepaalde kijk op het ambt van predikant. Je houdt van een luxe huis. Villa, Volvo en Vakantie! Kostje gekocht? Nee, je zit er naast. Jezus zei: ?In de wereld zal je verdrukking hebben? (Johannes 16:33). Droefenis, ellende, tegenspoed! ?Allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen worden vervolgd? (2 Timothéüs 3:12). Dat overkwam de Heere Jezus Zelf. Zijn dorpsgenoten uit Nazareth wilden Hem in een ravijn gooien (Lukas 4:29). En een dienstknecht, een dominee, ?is niet meer dan zijn heer? (Johannes 15:20).
Er was telkens sprake van gedoe rond Jezus. Hij was opgevoed in Nazareth (Matthéüs 2:23; Lukas 4:16). Op de sabbat, ging Hij, net als andere mensen, naar de synagoge. Daar las Hij, net als andere mannen, uit de wet of de profeten. Zo las Hij in Nazareth uit Jesaja. In die tijd was er nog geen sprake van een hoofdstukindeling. De Heere Jezus las: ?De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen? (Jesaja 61:1). Nou, zei Hij: Dat gaat over Mij (Lukas 4:21).
Toen Hij ook nog Naäman, de Syriër, prees boven de ongelovige Israëlieten en de mensen uit Nazareth, die Hem slechts erkenden als zoon van Jozef, werden die luitjes in de synagoge toch kwaad (Lukas 4:28). Zulke dingen gebeurden trouwens telkens. Bij voorbeeld toen de Heere Jezus op de sabbat in de synagoge een mens met een verschrompelde, krachteloze hand genas. Wat toonden die farizeeën zich boos. Zij ?hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten? (Matthéüs 12:13,14). Zoiets ook gebeurde rond de genezing van een bezetene (Lukas 4:33). De farizeeën vonden zichzelf te goed voor Jezus. Ze wisten zich geen zondaar. Ze vonden zichzelf uitstekende kerkmensen. Ze dachten Jezus? plaatsbekledend lijden en sterven en Zijn opstandingskracht (Eféze 2:1) niet nodig te hebben. Als de Heere Jezus wonderen deed bij mensen die Hem wel nodig hadden, gingen ze Jezus? werk afkammen.
Je moet niet raar kijken als het ook nu in de kerk rumoert. Als er droefenis, ellende, tegenspoed zijn. Als er scheiding van geesten is (1 Korinthe 11:19). Maar de grote vraag is waar jij staat in de kerk. Word jij ook nijdig als je ziet wat Jezus doet? Of verheug je je daarover?
Donderdag 19 april
Paulus begon telkens in de synagoge; en jij? Handelingen 17:1-10 ?? te Thessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in??.
Paulus besloot in Athene niet in z?n eentje op de Areópagus te gaan kijken en praten. Mensen trokken hem erheen, brachten hem op die plaats (Handelingen 17:19). Waar ging de apostel altijd eerst heen? Naar de synagoge, het leerhuis, de kerk. En is dan de gang van zaken voor jou en mij niet onvoorstelbaar? Stel je voor dat er een wildvreemde zendeling uit Israël binnenstapt in ons kerkgebouw. Hij wil z?n boodschap kwijt. Niemand van de ambtsdragers geeft toestemming. ?Kerkordelijk kan dat niet. En wij hebben toch al de waarheid!?
In de synagogen in het gebied van de Middellandse Zee ging dat zichtbaar anders. Joden hadden kennelijk iets met elkaar. De apostel kwam in Antiochië, een stad in Pisidië, dus midden in het huidige Turkije. Hij zocht de synagoge op. En wat zei de overste van de synagoge? ?Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt? (Handelingen 13:15). In Ikonium voerden Paulus en Barnabas ook het woord in de synagoge. ?Een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde? (Handelingen 14:1).
Telkens bezocht Paulus tijdens zendingsreizen de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10), te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Om ze de boodschap te brengen. Ja, zeg je: Toen kon dat nog. Maar na de massamoord op Joden in de Tweede Wereldoorlog, kun je dat beter laten. O ja? Natuurlijk moet je de boodschap van de Heere Jezus altijd met respect en voorzichtigheid brengen. Maar ellendige gebeurtenissen en menselijk falen zoals in de holocaust mogen een bijbelse opdracht (Lukas 24:47) niet verdringen!
Ik ga die wildvreemde zendeling uit Israël ?of van welke plek ter wereld ook? niet uitnodigen op onze kansel. Akkoord, dat is te riskant. Johannes spoorde aan om de leer zuiver te houden (2 Johannes:9). En Paulus waarschuwde Timothéüs om toe te zien op de leer (1 Timothéüs 6:3). De geloofsleer mag een staf zijn om te gaan en een stok om te slaan.
Maar heb jij ooit een synagoge bezocht? Ik bedoel: Probeerde je ooit medemensen, Nederlandse heidenen, maar misschien ook Joden jaloers te maken? De achttiende-eeuwse predikant A. Hellenbroek typeerde als hinderpaal voor het komen van Joden tot hun Messias, Jezus van Nazareth ?dat wijzelf niet wandelen in het licht des Heeren.? Dat geldt ook voor heidenen.
Vrijdag 20 april
Dagelijks Schriftonderzoek: voorbeeldig! Handelingen 17:10-18 ?Paulus en Silas? naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; en dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren.?
Eindelijk wachtte Paulus en Silas een echte preekstoel. De overheid van Filippi had hen vriendelijk, doch voortvarend verzocht te vertrekken (Handelingen 16:39). De grote Romeinse weg, de Via Egnatia, voerde hen langs steden als Amfipolis en Apolonia. Eenmaal Thessalonica binnengelopen, vonden ze een synagoge. Op die plek begonnen ze gelijk de boodschap te brengen. Na drie sabbatten bleken Joden nijdig. Ze veroorzaakten een rel. Zij riepen de hulp in van een paar schurkachtige leeglopers van de markt (Handelingen 17:1,2,5).
Het eind van het liedje was dat Paulus en Silas naar Beréa vertrokken. Daar waren de Joden ?edeler, dan die in Thessalonica? (Handelingen 17:11). Het centrum van die oude Griekse stad toont nog altijd een monument voor Paulus met mooie mozaïeken. Het gedenkteken verbeeldt Paulus? visioen. ?Kom over in Macedonië en help ons? (Handelingen 16:9). De zee is zichtbaar. Het schip ligt klaar. Het monument laat ook Paulus? preek in Beréa zien. Is het anno 2012 een beetje gedaan met de edelheid in Beréa? Moslims konden het althans niet laten dichtbij het gedenkteken een forse moskee te bouwen.
Waarom waren die Joden van Beréa nou edeler dan die uit Thessalonica? De Heere Jezus had gezegd: ?Die in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat? (Matthéüs 13:23). En wat deden die Joden uit Beréa? Zij ?ontvingen het Woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren? (Handelingen 17:11). Dus ze baseerde zich niet op praatjes, of menselijke goed- of afkeuring, of op horen zeggen. Maar begeerden hun levenshuis op het Woord te bouwen. Dat is mooi!
Die Joden uit Beréa vormen een voorbeeld voor jou en mij. Ze gingen er niet een avondje voor zitten om daarna ?de Schriften? ?het Oude Testament (2 Korinthe 3:14)? te sluiten. Ze waren dagelijks bezig met onderzoek, of Paulus gelijk had. ?Of deze dingen alzo waren.? De apostel had gelijk. Hij was, onderweg naar Damascus, door de Heere Jezus eerlijk gemaakt. Maar hij was van huis uit farizeeër. Hij kende ?de Schriften? als geen ander. Hij preekte al direct na zijn bekering in de synagogen, dat Christus Gods Zoon is (Handelingen 9:20).
Overigens: hoe ga jij, hoe ga ik te werk? Waar horen wij bij? Bij de Joden uit Thessalonica? Of bij die van Beréa?
Zaterdag 21 april
Heb jij, net als Crispus, je leven over voor het Evangelie? Handelingen 18:1-8 ?En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis.?
De stad Korinthe werd verwoest in 146 voor Christus. Een eeuw later gaf de Romeinse keizer Julius Caesar bevel Korinthe te herbouwen. Het werd een kolonie. Die bleek vooral bevolkt door Romeinse vrijgelatenen, voormalige slaven. De bewoners van een kolonie waren meestal geen makkelijke jongens. Individualisten. Mensen die een beetje bijsturing nodig hadden. Korinthe lag bovendien op een landengte. Vanaf de ene kant was het goed mogelijk naar Rome te varen. Vanaf de andere kant voer je naar Eféze en Smyrna. Vanwege die ligging trok Korinthe een internationale mengelmoes aan van avonturiers: kooplui, havenwerkers, slaven.
Vooral de eredienst van Aphrodite, de godin van de liefde, zorgde met haar honderden priesteressen die ?gewijde? ontucht bedreven voor een onvoorstelbaar brute zedeloosheid en losbandigheid. De Grieken zelf, de oorspronkelijk in deze streken wonende mensen, betitelden een zedeloos mens als ?een Korinthiër?.
Er woonden ook Joden in Korinthe. Dat waren relatief nette mensen. Maar toen Paulus ze in de synagoge het Evangelie ging preken, werden zij heel erg nijdig. Lukas schreef dat de Joden ?wederstonden en lasterden? (Handelingen 18:6). Daar mag je niet te gering over denken. Want voor dat woord lasteren gebruikte Lukas een begrip dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand. Paulus zag zich genoodzaakt z?n biezen te pakken. Ik zal voortaan voor de heidenen gaan preken, zei hij.
En toch? Er was een eenling. Crispus. Hij geloofde! En Crispus was nog niet eens de eerste de beste. Nee, hij was overste van de synagoge. Dat was eigenlijk een soort kerkenraadslid. Hij zorgde voor de orde in en behartigde de belangen van de synagoge. Jaïrus was ook zo iemand (Markus 5:22). Die Crispus durfde. Wat had de Heere Jezus ook al weer gezegd? ?Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen God een dienst te doen? (Johannes 16:2). Dat riskeerde Crispus. Dus het geloof van Crispus moet heel diep gezeten hebben. In elk geval heeft Paulus hem ook gedoopt (1 Korinthe 1:14). Crispus geloofde en z?n hele gezin ging mee.
Zou jij ook zo?n Crispus willen zijn? Zou je je leven over hebben voor het Evangelie?
Zondag 8 april: Jezus leeft
Markus 16
vers 6: ?Gij zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet.?
Pilatus verklaarde drie keer dat Jezus geen schuld had. De stadhouder sprak daarom geen doodvonnis uit (Lukas 23:22). Toch zwichtte hij. Voor het opgestookte, (Lukas 23:10) razende volk. Hij gaf tenslotte toestemming Jezus te kruisigen. Alles scheen voorbij. Vrouwen uit Galilea dachten Jezus de laatste eer te bewijzen (Lukas 24:1). Zij hadden niet door dat Hij door mensenhanden niet gediend hoeft te worden (Handelingen 17:25). En dat hun allerbeste doen en laten voor God geen gewicht in de schaal legde (Jesaja 64:6). Breng je gebroken en verslagen hart mee! Schuld! Iets anders hoef je bij de Heere Jezus niet te brengen. Hij geeft. Zonder prijs (Jesaja 55:1). Ze kwamen. Maar ze hoorden: ?Hij is opgestaan!? (Markus 16:6).
Als jij in Jeruzalem op zondagochtend kort voor kerktijd aanklopt bij de Graftuin, zit de deur soms nog op slot. Je staat te wachten. Iemand opent van binnen uit de deur. Hij roept de mensen op straat luidkeels toe: ?Hij is hier niet!? Dat zei ook de engel tot de vrouwen die hun Meester de laatste eer wilden gaan bewijzen. ?Hij is opgestaan!?
Wat is er gebeurd? Sinds de zonde in het Paradijs is er niemand meer die goed doet (Psalm 53:4). De mens die zondigt, zal sterven (Ezechiël 18:4). Ieder mens heeft zijn individuele eeuwigheid nodig om die straf uit te zitten. Eindeloos. Maar Jezus doorleefde ?om zo te zeggen? al die eeuwigheden aan straf van Zijn volk bij elkaar in korte tijd. Tijdens Zijn leven. Speciaal aan het kruis (Deuteronomium 21:23). Zo droeg Hij de straf die talloze zondaren vrede met God brengt (Jesaja 53:5). Hij legde Zelf uit liefde tot God en zondaren Zijn leven af (Lukas 23:46). Toen Hij de straf had gedragen, had God geen reden Hem in de dood te houden. Hij wekte Jezus op. Jezus stond ook Zelf op. Om genade uit te delen. Zelfs aan vijanden (Psalm 68:19).
De mens die zondigt, sterft (Ezechiël 18:4). Zo iemand is eigenlijk al gestorven. Dood in zonden en misdaden (Eféze 2:1).Maar Die gekruist was, is opgestaan. Jezus leeft! Hij regeert. Hij kan ook jou het nieuwe leven geven. Wie met Hem wordt opgewekt (Eféze 2:1), wie in Hem leert geloven, mag vroeg of laat ervaren dat hij voor God niet langer in staat van beschuldiging verkeert (Romeinen 5:1).
Maandag 9 april: Simon heeft Hem gezien
Vers 34: ?Zij keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven saamvergaderd, en die met hen waren; welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.?
De vrouwen die bij Jezus? graf afscheid van Hem dachten te nemen, kregen een opdracht. Zeg tegen de discipelen ?en vergeet Petrus niet? dat jullie de Heere Jezus zullen ontmoeten in Galilea (Markus 16:7). Zij gingen haastig terug. Ze hielden het nieuws geheim (Markus 16:8). Tot zij de discipelen vonden (Lukas 24:9). Niet alleen die vrouwen brachten zo?n bericht. Ook de Emmaüsgangers herkenden hun Meester (Lukas 24:31). Ook zij haastten zich naar Jeruzalem. Misschien waren de discipelen hen wel voor met te zeggen: ?De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien? (Lukas 24:34).
Vergeet Petrus niet, hadden de engelen gezegd (Markus 16:7). De discipel kreeg ooit die naam, toen hij beleed dat de Heere Jezus ?de Zoon van de levende God? was (Matthéüs 16:16). Petrus fungeerde als woordvoerder van alle discipelen. ?U bent de Messias!? Mogelijk dachten z?n medeleerlingen: Dat heeft hij netjes gezegd! Later bleek toch dat Petrus iets had van een angsthaas. Toen hij zijn Meester verloochende in de zaal van de hogepriester. Jezus keek hem aan. Petrus ging naar buiten. De grote, sterke man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld. Wat deed hem dat een onuitsprekelijke, bittere pijn (Lukas 22:60-62). De illusie van nieuw leven scheen voorbij.
Misschien herken jij ?net als ik? iets van Petrus in je leven. Het grootste woord af en toe! Hele verhalen! Ik zal getuigen! Maar als het puntje bij het paaltje komt, kies ik eieren voor m?n geld. Zodra mijn principe geld kost, moet ik er eerst nog even over denken, wat ik zal zeggen. Of was er bij Petrus meer? Ja! Zodra Jezus naar hem keek, schaamde hij zichzelf. Hij had berouw. Hij kende zich schuldig. Hij wist dat hij door te ontkennen dat hij bij Jezus hoorde, had gezondigd. O, wat had hij een verdriet. Hij huilde bitter.
Overtrof de liefde bij Petrus het schuldgevoel (Johannes 21:7)? Zulke mensen zijn er! De Heilige Geest overtuigde hen van zonden (Johannes 16:8). Maar zij hebben toch God lief. En zij dienen Hem niet alleen voor de hemel. God laat het trouwens niet bij die overtuiging alleen. Kijk maar naar Paulus. ?Ik ben de minste van de apostelen?, schreef hij. Maar Jezus ontmoette ook Paulus (1 Korinthe 15:8-9). De opgestane Christus zoekt kennelijk zulke zondige mensen op. Simon! Jou?
Dinsdag 10 april: De Zaligmaker is geen sprookje!
1 Korinthe 15
Vers 3,4: ?Dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften. En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.?
Het Nieuwe Testament brengt telkens ?de Schriften? ter sprake. Dat zijn natuurlijk geen schoolschriften. Die uitdrukking duidt op de hele verzameling oudtestamentische bijbelboeken. Die lijst, de canon, was al bekend als afgesloten, compleet geheel, toen het Nieuwe Testament werd geschreven. Paulus sprak heel concreet over ?het lezen des Ouden Testaments? (2 Korinthe 3:14). De apostel was van huis uit farizeeër (Handelingen 23:6). Dus hij kende ?de Schriften?. Hij wist dat Christus? opstanding in het Oude Testament al was voorzegd (1 Korinthe 15:3,4).
Zo betoogde Paulus telkens, dat hij geen nieuwlichter was. Hij preekte geen nieuwe leer. ?Ik zeg niets buiten datgene wat de profeten en Mozes hebben voorzegd. Zij zeiden al dat Jezus van Nazareth, Christus, lijden moest, en dat Hij zou opstaan uit de doden? (Handelingen 26:22,23). Misschien dacht Paulus aan Mozes? woord dat ?een opgehangene Gode een vloek is? (Deuteronomium 21:23). Mogelijk had hij het oog op Jesaja?s profetie: ?Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld? Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen (Jesaja 53:9,10).
Paulus was niet de enige die telkens naar het Oude Testament verwees en aangaf dat Christus de langverwachte Messias is. Ook Matthéüs deed dat. Hij zei herhaaldelijk dat het leven van Jezus ?klopte? met het Oude Testament (Matthéüs 21:42). Toen hij bij voorbeeld Judas? verraad beschreef, zei hij: ?Zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen? (Matthéüs 26:15). Daar ligt een link naar Zacharia 11:12. Karakteristiek is voor Matthéüs bovendien het vaak terugkerende accent op het Schriftbewijs met de woorden: ?opdat vervuld zou worden.?
Petrus ging in zijn pinksterpreek trouwens op dezelfde manier te werk. David zong: ?Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie? (Psalm 16:10). Nou, zei Petrus, dat ging niet alleen over David hoor. David was profeet. Hij wist dat hij een van de voorouders was van de Zaligmaker in Zijn menselijke natuur. ?Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien? (Handelingen 2:31).
Theologen proberen zich met allerlei moderne ideeën van Jezus af te maken. Paulus en Petrus en Matthéüs deden dat niet. Jezus was geen sprookje. Jij kunt ook niet om Hem heen!
Woensdag 11 april: De discipelen hadden geen oog voor Jezus? werk
Mattheus 16
Vers 21: ?Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.?
De Heere Jezus zei: Ik ga lijden en sterven. Daarna sta ik op uit de dood. Maar de discipelen wilden er niet aan. Petrus begon Hem op Z?n nummer te zetten. Dat is eigenlijk begrijpelijk. Hij ging elke dag intensief met zijn Meester om. Het was zo goed dagelijks te delen in Jezus? gezelschap, Zijn liefde, Zijn gunst. Dat wil je toch niet kwijt? Een stervende Zaligmaker? Daar wil je niet van horen. Eigenlijk vanuit de gedachten: Waar is dat voor nodig? Dus Petrus zei: ?Heere, wees U genadig! Dit zal u geenszins geschieden? (Matthéüs 16:21).
Toen echter later de Emmaüsgangers bedroefd waren, omdat Jezus gekruisigd was, zei de Zaligmaker: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Je kon het weten! Hoe dan? Nou, Jezus reed op een ezelin Jeruzalem binnen (Matthéüs 21:7,10). Zacharia zei eeuwen daarvoor al: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Er kwam een met zwaarden en stokken gewapende bende om Jezus te vangen. De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
Maar Petrus en de andere discipelen leefden van de liefde. En ze dachten te goed over zichzelf. Jezus lijden? Waarom? Wellicht kenden ze ook wel die andere woorden van de profeet: ?Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn? tegen de zonde en tegen de onreinigheid? (Zacharia 13:1). Mogelijk legden ze dat zo uit: Als we maar dicht bij Jezus leven en Hem liefhebben, dan zullen we het zondigen wel laten. Zoiets heb jij misschien ook wel eens gedacht. Maar die Fontein duidt op Jezus? ?rantsoen voor velen? (Markus 10:45).
Jij, ik, wij kunnen ons heel wat verbeelden! We gaan misschien al vijftien of vijfentwintig jaar keurig naar de kerk. Maar met al m?n godsdienstigheid ben ik er ?net als Petrus? blind voor dat de Zaligmaker Zijn leven moest afleggen, de straf moest dragen voor mijn zonden. Die blindheid moet je leren kennen, leren belijden als schuld. Wat is het een voorrecht dat de Heere Jezus opstond. Hij leeft. Om mensen zoals jij en ik dat te leren. Net als de Emmaüsgangers (Lukas 24:27).
Donderdag 12 april: De Heere Jezus is de Opstanding en het Leven
Johannes 11
Vers 25: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.?
Denk je dat de Heere Jezus alle mensen op dezelfde manier liefheeft? Echt niet! Scherp richtte Hij Zich tegen farizeeërs, rechtzinnige, wettische mensen die probeerden zelf rechtvaardig te zijn voor God. Hij keerde Zich al net zo fel tegen sadduceeën. ?Gij adderengebroedsels!? Kinderen van de slang (Matthéüs 3:7). Sadduceeën koesterden liberale ideeën. Zij richtten zich alleen op de geschreven wetten, niet op mondelinge traditie. Ze ontkenden dat God ingrijpt in de historie. Zo verbonden ze geluk en onheil, aan de menselijke vrije wil. Maar Johannes schreef: ?Jezus had Martha, en haar zuster, en Lázarus lief? (Johannes 11:5)!
Waar hoor ik bij? En jij? Bij de farizeeërs? Bij de sadduceeën? Of bij Martha en Maria en Lázarus? Mogelijk heb je verdriet. Omdat je niet in staat bent goed voor God te leven. Of het klinkt je af en toe in je oren: ?Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid!? (Matthéüs 21:19). Misschien heb je jezelf ook wel eens herkend in dat verschrikkelijke woord adderengebroedsel. Dat is erg! Dan ligt er een link naar Adam die luisterde naar de slang in het Paradijs (Genesis 3:4,6). Dan dreigt de eeuwige dood. Want zo zei de profeet het toch? ?De ziel, die zondigt, die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
Uitzichtloos! Dat dacht Martha misschien wel, toen haar broer Lázarus was gestorven. ?Als U er maar geweest was, Heere Jezus, dan zou hij vast niet zijn gestorven?, zei ze. De Zaligmaker antwoordde: ?Uw broer zal weer opstaan? (Johannes 11:23). ?Ja, dat weet ik wel?, zei Martha. ?Straks, in de opstanding op de laatste dag? (Johannes 11:24). Was Martha werkelijk hopeloos? Of gloorde er toch iets van een heilige geloofsverwachting in haar hart? Want de Heere Jezus zei: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? En even later vroeg Hij bovendien: ?Gelooft gij dat?? (Johannes 11:25,26). Ze zei: Ja!
Ken je jezelf als sadduceeër? Zit er een moderne theoloog in je hart, die zich met moderne ideeën van Jezus probeert af te maken? Of vind je van binnen een farizeeër? Zoals Paulus voorheen. Heb je iets weg van Petrus. Hij verloochende Zijn Meester. De grote man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld (Lukas 22:60-62). De opgestane Christus zoekt juist zulke zondige mensen op. Hij zegt: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? Geloof jij dat?
Vrijdag 13 april: Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding
1 Korinthe 15
Vers 17: ?Indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs.?
Tevergeefs! Wat is dat vreselijk woord. Een aantal mensen van de christengemeente te Korinthe, was niet zuiver in leer en leven. Jazeker, zulke discussies speelden ook bijna tweeduizend jaar geleden al een rol. Er waren leden in die gemeente die het stoffelijke verachtten. Zij zeiden: het kwaad, de zonde, zit in de stof zelf. Het gaat er om los te komen uit die stoffelijke wereld. Nou, toen vonden ze natuurlijk ook de lichamelijk opstanding van de Heere Christus niet zo belangrijk meer.
Pas op, waarschuwde Paulus: ?Indien Christus niet opgewekt is, is uw geloof tevergeefs? (1 Korinthe 15:17). Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding! Als Christus niet is opgestaan, is je geloof misleidend, zonder grond. Dan ben je verloren (1 Korinthe 15:18). Je verzint maar iets. Dan is je geloof leeg, doelloos, dwaas. Mogelijk dacht Paulus aan Jezus? woord ?tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn? (Matthéüs 15:9). Of aan een van zijn brieven: ?Als de rechtvaardigheid door de wet is, is Christus tevergeefs gestorven (Galaten 2:21).
Twijfel aan Christus? opstanding is menselijk. De sadduceeën geloofden niet een opstanding van doden. Al toen de Heere Jezus Zelf nog door het land liep, kwamen er van die sadduceeën naar Hem toe met gemene strikvragen (Matthéüs 22:23). Dat ongeloof in de opstanding der doden manifesteerde zich om te beginnen reeds met leugens. De soldaten die op wacht gestaan hadden bij het graf van Jezus kregen opdracht van de Joodse ouderlingen ?nota bene!? om rond te vertellen dat Jezus? lijk was gestolen (Matthéüs 28:11-15).
Twijfel aan Christus? opstanding is gevaarlijk. Mensen kunnen er niet meer van loskomen. Ruim twintig jaar geleden zat op zondagavond in Moskou een journalist van een christelijke krant aan tafel met drie Nederlandse theologen. Het was een poosje na Pasen. De geleerde dominees ?twee mannen en een vrouw? hadden allen het geloof in Christus? opstanding prijsgegeven. De krantenjongen kon z?n mond niet houden. Eén van die theologen antwoordde, bijna jaloers: Houd er aan vast, als je dat nog kunt!
Tevergeefs! Dat kan tot een kwellende klank worden, die je geest bezet. Je kunt het woord niet meer kwijt raken. En tegelijk veroordeelt het je. Zo kan de duivel mensen kwellen. Maar het staat vast! ?Ik ben de Opstanding en het Leven? (Johannes 11:25).
Zaterdag 14 april: Wedergeboren door de opstanding van Jezus Christus
1 Petrus 1
Vers 3: ?Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.?
De Heere Jezus zei tegen Nicodémus: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). De Dordtse Leerregels noemen wedergeboorte een bovennatuurlijk werk van God. Jezus zei: dat nieuwe leven wordt verwekt door God de Heilige Geest (Johannes 3:6). Kenmerkend voor die wedergeboorte is, dat je God lief krijgt (Johannes 21:17). Je durft het nauwelijks hardop te zeggen. Toch kun je Hem niet meer missen. God kwijt zijn is erger dan de dood. En je probeert ook de zonde uit te roeien. Ze doen God verdriet. Toch gloort er hoop in je hart (Romeinen 5:5).
De apostel Petrus was wedergeboren. Hoe kwam hij daartoe? ?Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden? (1 Petrus 1:3). God had in het Paradijs tegen Adam en Eva gezegd: Je mag niet eten van de vrucht van de boom van de kennis des goeds en des kwaads. Als je dat toch doet zul je ?de dood sterven? (Genesis 2:17). Dat wist Petrus. Zo tekende ook Paulus de situatie, de staat waarin elk mens verkeert. ?Wij waren dood door de misdaden?, schreef hij. Maar ?God heeft ons in Zijn barmhartigheid levend gemaakt met Christus? (Eféze 2:5).
Hoe gebeurde dat? Mensen verdienen straf van God vanwege de zonde. Maar de Heere Jezus stierf als Plaatsvervanger voor zondaren. Door Hem is weer vrede mogelijk met God. Hij gaf Zijn leven als (ver)losgeld voor velen (Markus 10:45). Toen dat zware werk verricht was, wekte God Jezus op uit de dood. En mèt Hem wekte God ook al degenen op voor wie Jezus de straf had gedragen. ?U heeft Hij méde levend gemaakt? schreef Paulus (Eféze 2:1). De opgestane Jezus Zelf begon dat nieuwe leven, die genade uit te delen (Psalm 68:19).
Dus die wedergeboorte is niet iets dat je zelf organiseert. Jullie hebben Mij niet uitverkoren, maar Ik heb jullie uitverkoren, zei de Heere Jezus (Johannes 15:16). De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat een mens wordt wedergeboren door het geloof. Maar echt geloof is dan toch weer een gave van God (Eféze 2:8). Petrus wist heel goed dat hij dat niet had verdiend. Toch vormde de uitverkiezing voor hem geen muur, maar een poort (1 Petrus 2:9). Hij barstte los in een blijde jubel: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus en geloofd zij Zijn barmhartigheid.
Geplaatst op: 06-04-2012
Bijbelrooster zondag 1 april t/m zaterdag 7 april
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Verzoening?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Zondag 22 april: Exodus 5:1-9 (Er)ken jij God?
Exodus 5:2: ?Ik ken de HEERE niet.?
Je zit in de huiskamer. Je kijkt door het raam. Je ziet over de stoep aan de andere kant van de straat een man lopen. Je weet zijn naam niet. Je hebt hem nooit ontmoet. Ken je hem dan? Nee, natuurlijk niet! Je kent iemand niet, als je hem slechts voorbij ziet lopen. Kennis is niet louter theoretisch inzicht of praktische informatie paraat hebben. Als je iets kent, heb je er ervaring mee, dan ben je er vertrouwd mee. Als je iemand kent, komt dat, omdat je met hem omging. Je hebt hem persoonlijk ontmoet, gezien, gehoord. Je weet iets van z?n karakter.
Zo kende de farao, de koning van Egypte, Israëls God niet, de HEERE die een verbond sloot met Zijn volk. Farao liet het tot slavernij vervallen volk niet vertrekken. Hij verzwaarde de lasten van Israël (Exodus 5:7). Daar zat meer achter: vijandschap. De farao was zo?n goddeloze, die zegt: ?Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?? (Job 21:15). Hij weigerde God te (er)kennen. Dat brak hem zuur op. Want het gevolg was dat de Egyptenaren en de farao God leerden kennen in Zijn toorn! De HEERE streed voor Israël (Exodus 14:25).
Zit jij anders in elkaar dan de farao? Voel je je beter dan Petrus? Die zat bij het vuur in het huis van de hogepriester (Johannes 18:24). Hij ontkende drie keer dat hij Jezus, z?n Meester kende. Toen de haan kraaide, ging Petrus huilend naar buiten (Lukas 22:62). Wat zouden jij en ik gedaan hebben? God en Jezus (er)kennen? Moeilijke vraag! Of niet? Adam en Eva begonnen met God niet te (er)kennen. Toen ze naar de slang luisterden (Genesis 3:4-6). Zit dat weigeren om God te (er)kennen jou en mij dan eigenlijk niet in de genen?
De farao zei: ?Ik ken de HEERE niet? (Exodus 5:2). Het aantal mensen in ons land dat zijn woorden beaamt, neemt toe. Kijk naar de kerkverlating. Maar binnen de kerk leven mensen die er feitelijk niet anders over denken. Omdat er bij hen geen enkele betrokkenheid bestaat op de daar gehoorde boodschap van zonde en genade. Jij bent toch niet zo iemand? Want met de farao liep het fout af. Je kunt beter bij dat Gods volk horen. Van hen geldt: ?Zij zullen Mij allen kennen? (Jeremia 31:34).
Maandag 23 april: Jeremia 3:6-14 Ken jij je zonde?
Jeremia 3:13: ?Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden.?
Jeremia vergeleek de relatie van God met Juda en Israël met een huwelijk. Zowel Juda, de twee stammen, als Israël, de tien stammen, schond die relatie. Zoals een vrouw die er af en toe met een ander van door gaat (Jeremia 3:1,2). De Heere Jezus zei veel later: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Het ?trouweloze? Juda dacht echter dat dit wel kon (Jeremia 3:10). Want tijdens de regering van Josia was sprake van een reformatie (2 Koningen 23). Maar die volksbekering bleek schijn. Juda maakte het later erger dan Israël (Jeremia 3:11). Daarom riep God juist Israël weer tot bekering: ?Ken uw ongerechtigheid? (Jeremia 3:13).
Wat antwoord je, als iemand tegen jou zegt: ?Ken je ongerechtigheid, je wetteloosheid, je zonde?? ?Nou ja?, zeg je misschien: ?Dan moet ik natuurlijk erkennen dat ik een zondaar ben. Nou, dat ben ik wel hoor. Vanzelfsprekend.?
Wacht even: Je kunt met prachtige woorden allerlei als vanzelfsprekend beschouwde dingen belijden. Dat gebeurt. Ook vanaf veel kansels. Zo hoort het toch? Zeker. Maar om iets te erkennen, moet je het eerst kennen. Wat heb je aan erkennen van zonde als er geen kennen voorafgaat? Ervaar je de pijn niet van het schuldig ongehoorzaam zijn? Is er dan geen sprake van een lege schuldbekentenis, zonder waarde?
Kennen is in de Bijbel ervaringskennis. Bij het kennen van God ben je in de Bijbel als mens met je hele bestaan betrokken. Niet alleen met je redenerende verstand. Zo ben je ook met je hele bestaan betrokken bij het zondigen. Je zondigt niet in de ruimte, maar tegen Iemand. Tegen God. Als je Hem niet kent, ken je de zonde niet op de ?goede? manier. Je ervaart geen pijn, omdat je de goede God verdriet doet.
?Ken uw ongerechtigheid?! Is dat niet om bang van te worden? Misschien wel. Maar als God in je leven kwam, weet je dat Hij recht heeft op jouw liefde en gehoorzaamheid. Misschien zing je met David: ?Ik ken mijn overtredingen? (Psalm 51:5). Dan is vast ook dat andere lied je lief: ?Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, ken mijn gedachten? (Psalm 139:23). En je weet toch dat zonden kennen, erkennen, belijden de weg vormt naar vergeving (Psalm 32:5)? ?Ik zal u aannemen?, zei de HEERE (Jeremia 3:14).
Dinsdag 24 april: 1 Kronieken 28:1-10 (Er)ken en dien de Heere!
1 Kronieken 28:9: ?Ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel.?
Heb jij ook zo?n vader als David was? Hij mocht geen tempel bouwen (1 Kronieken 22:8). Sálomo moest het doen. Maar denk erom jongen, zei vader David: ?Ken de God van uw vader? (1 Kronieken 28:6,9). Dus de oude koning vroeg niet of Sálomo veel aan z?n vader wilde denken. Hij moest vooral de God van z?n vader in gedachten houden. Sálomo moest die God erkennen, liefhebben en gehoorzamen. Heeft jouw vader zo ook het goede met jou voor?
David had weinig reden om te zeggen dat Sálomo veel aan hem moest denken. Want Davids leven telde tal van zondige missers. Gelukkig gold van hem: ?U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde? (Psalm 32:5). David bedoelde tegen Sálomo te zeggen: Ik heb mijn God trouw gediend. Doe dat ook. God is het zo waard. Hij was zo goed voor mij. God had mij lief. Onbegrijpelijk! (1 Kronieken 28:4).
(Er)ken de God van je vader, Sálomo, ?dien Hem met een volkomen hart?(1 Kronieken 28:9). Dát is niet gering. Het hart is in de Bijbel centrum van het totale menselijk leven (Spreuken 4:23). God vraagt veel: Je kracht; je tijd; je handen en voeten; je ogen en oren; je hartstochten en begeerten. God vraagt alles van je, Sálomo! Het zou nog eeuwen duren voor Paulus werd geboren. Toch beschreef hij de strijd die op zo?n keuze volgt (Romeinen 7:22,23).
David zei: ?Geen twee heren dienen, jongen.? Geen halfslachtig leven leiden. Eeuwen later waren de Romeinen de baas in het gebied van de Middellandse Zee. Er heerste grote tolerantie. Je mocht allerlei goden dienen. Maar één ding mocht géén van de inwoners van dat grote rijk nalaten. Hij mocht niet weigeren goddelijke eer te bewijzen aan de Romeinse keizer. Door een offer aan hem te wijden. Dat konden christenen niet. Jezus was hun Heere.
Heb jij ook een vader, die je zó liefheeft dat hij je aanraadt God te dienen? Met een gewillige ziel. Ook dat woord ziel duidt op de totale menselijke persoonlijkheid. Het ?trouweloze? Juda dacht dat het wel kon (Jeremia 3:10). Maar de Heere Jezus gaf later dezelfde raad als David: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Denk er eens aan, als je achter je scherm zit. En als je er over denkt, waar je zaterdagavond heen wil!
Woensdag 25 april: Johannes 10:1-15 Kent de Heere jou?
Johannes 10:14: ?Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.?
Die Joodse man was blind geboren. Jezus genas hem. De farizeeërs zaten hen beiden dwars (Johannes 9:16). Farizeeërs bleken weinig pastoraal. Ze leken meer op moordenaars. Maar de Heere Jezus typeerde Zichzelf als het tegendeel. Als de goede Herder. ?Ik ken de Mijnen?, zei Hij. ?Ik stel Mijn leven voor de schapen? (Johannes 10:8-15). Zo?n herder leidt zijn schapen naar grazige weiden (Psalm 23:2). Hij beschermt z?n schapen tegen rovers en roofdieren. Er gaat er niet één verloren. Je bent veilig, als de goede Herder je kent!
De Heere Jezus gebruikte een gelijkenis. Zo?n aan het dagelijks leven ontleend, verzonnen verhaal, wil een belangrijke waarheid duidelijk te maken. Welke? De bij Adam en Eva begonnen zonde, had de dood tot gevolg (Genesis 2:17). Maar wat een wonder: het verlorene kan zalig worden. Er bestaat een uitverkiezing! (Eféze 1:3-6). Als God je zó kent, kan niemand je uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28). Je bent veilig. ?Het vaste fundament Gods staat? de Heere kent degenen die Zijne zijn (2 Timothéüs 2:19).
Kent de Heere jou ook? Natuurlijk, Petrus zei: ?Heere! Gij weet alle dingen? (Johannes 21:17). Maar kent de goede Herder jou als schaap? Zeg niet te gauw ?ja?. Want de schapen horen Zijn stem. Hij verwacht gehoorzaamheid van je. Als je bij Jezus hoort, luister je naar Zijn onderwijs. Je zingt net als David: ?Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.? Soms valt er nog maar één ding te belijden: ?Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten? (Psalm 119:10, 176).
De stem van de Heere Jezus is ook vol van genade. Hij kent Zijn schapen door en door. De goede Herder is als die vader die Zich ontfermt over de kinderen. Zo ?ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn? (Psalm 103:13,14).
Als de Heere jou kent, leerde jij de Heere kennen. Net als Paulus. Hij schreef: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16). Zo kennen schapen Zijn stem. Net als de bruid: ?Dat is de stem van mijn Liefste? (Hooglied 2:8). Welke stem volg ik? Jij? De stem van de slavendrijver uit de hel? Of die van de goede Herder?
Donderdag 26 april: Spreuken 3:1-7 (Er)ken God door Hem raad te vragen.
Spreuken 3:6: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.?
Je leest. Een roman. Een levensbeschrijving. Een studieboek. Je hebt het uit. Ken je dan de auteur? Niet echt. Je weet iets over zijn schrijfstijl. Over zijn interesse. Of over zijn fantasie. Maar je kent zo iemand pas echt ?en dan vaak nog maar een beetje? als je hem of haar persoonlijk ontmoet hebt. Pas als je intensief met iemand omgaat, hem achter z?n vestje kijkt, je hart voor elkaar hebt opengelegd, zeg je: ?Nu kennen wij elkaar.? Mozes kende God. Maar niet alleen uit een boekje. Van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10).
Sálomo adviseerde God de kennen, te raadplegen in al je wegen (Spreuken 3:6). Dus vraag Zijn raad bij alles wat je van plan bent en denkt op te pakken. Zoek Zijn wil voor al je doen en laten. En ten aanzien van je zwijgen en spreken. Dat is niet gering! Is dat mogelijk, als je God niet kent ?van aangezicht tot aangezicht?? Kun je Zijn wil kennen zonder persoonlijke relatie met de Heere? Zeg niet te snel: Nee. Want God, de grote Auteur achter de Bijbel, verschilt van alle andere schrijvers. Hij openbaarde Zichzelf en Zijn wil in dat boek (2 Petrus 1:19).
?Ken Hem in al uw wegen.? Misschien zeg je: ?Ja, juist, vanzelf. Als ik in moeilijkheden zit. Als ik voor levensraadsels sta. Dan moet ik mij natuurlijk tot God wenden. Zien of Hij mij een oplossing aan de hand wil doen.? Denk je dat Sálomo dat bedoelde? Dan zit je ernaast. De wijze koning gebruikte het woordje ?al?. Raadpleeg God ?in al uw wegen?. Dus ook als er helemaal geen sprake is van raadsels of problemen. Als je God vreest en de zonde haat, geeft het ?zonder Hem kan ik niets doen? (Johannes 15:5) steeds meer de toon aan in je leven.
Je zegt: ?Wacht even! Maar Sálomo beloofde wel: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Dus dan is er óók voor elke moeilijkheid een oplossing!? Wacht even! God gebruikt soms moeilijkheden om je aan te sporen tot gebed. Om je recht en echt afhankelijk te maken en te houden van Hem. Dan geldt: ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede? (Romeinen 8:28). Ook obstakels en moeilijkheden op je levensweg.
Vrijdag 27 april: Filippensen 3:2-16 Wie Christus kent, heeft alles!
Filippensen 3:8: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere.?
Saulus van Tarsen was ooit een brave farizeeër (Handelingen 23:6). Farizeeërs waren rechtzinnige, wettische mensen. Zij probeerden met hun eigen doen en laten God een plezier te doen. Zelfs, zoals Saulus, met het vervolgen van christenen. Maar op weg naar Damaskus verloor hij de macht over het stuur. De Heere Jezus kwam in z?n leven. Eerst ontdekkend. Saulus? zonden ontmaskerend (Handelingen 9:5). Maar ook met Zijn liefde en genade. Later schreef Paulus: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16).
Alle goede werken van Paulus hadden niks te betekenen. Nee, het was nog veel erger. Ze bleken in feite zondig. Ze waren onrein, een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6). En nu hoefde hij niet onder Gods rechtvaardig oordeel te sterven. Hij leerde Christus persoonlijk kennen. Hij kreeg genade. Leven. Dat vergeet je nooit meer! De apostel Johannes wist dat ook. Ooit viel zijn oog voor het eerst van z?n leven op Jezus als het Lam Gods. Onvergetelijk! Het was tien uur (Johannes 1:40). Wat kreeg Paulus de Heere Jezus onvoorstelbaar lief.
Hij typeerde z?n vroeger als verdiensten beschouwde goede werken als schade. Als vuilnis. Als drek (Filippensen 3:8). Dat kan betekenen: uitwerpsels van honden, of hondenvoer. In elk geval: vuile troep. Vergeleken bij het kennen van Christus, Zijn Persoon, Zijn werk, blijkt alles waardeloos. Want in dat kennen ligt het eeuwige leven (Johannes 17:3).
Je zult maar net als Paulus ontmaskerd worden als een vijand van God. Zo iemand heeft niet anders te verwachten dan de dood. Wat een niet in woorden uit te drukken wonder, als je voor het eerst in je leven ziet dat zo?n vijand nog met God verzoend kan raken en vrede bij God krijgen. Door Christus! (Romeinen 5:1,10). Je hoorde misschien twintig of dertig jaar over Jezus preken. Maar je had niks met Hem. Tot je jezelf als een doodschuldige vijand van God leerde kennen. Toen kwam het ogenblik dat Zijn dood waarde voor je kreeg. Heel persoonlijk.
Sommige mensen citeren graag de woorden van Paulus. Maar dan zo: ?om de uitnemendheid van Christus.? En zeker: Christus is een voortreffelijke Zaligmaker. Maar het gaat er wel om, of je Hem ooit persoonlijke hebt ontmoet, of er sprake is van een individuele relatie met die Zaligmaker. Het gaat om ?het kennen van Christus?.
Zaterdag 28 april: 1 Korinthe 13 Straks komt het volmaakte.
1 Korinthe 13:9: ?Wij kennen ten dele.?
Aan de andere kant van de golf van Korinthe lag het stadje Delphi. Daar was sprake van extatisch spreken onder heidense priesters en priesteressen. Dus indien je als christen in andere talen kon spreken, had je ook iets bijzonders. Maar Paulus relativeerde in zijn eerste de brief aan de christengemeente te Korinthe het belang van dat spreken in vreemde talen. De beste, de hoogste gave was voor hem niet tongentaal. Zelfs niet kennis (1 Korinthe 13:13).
Er is sprake van kennis. Natuurlijk. Je gaat niet voor niks op zondag naar de kerk. En in de week naar de catechisatie of de bijbelkring. Wij weten uit de Bijbel wat voor onze zaligheid nodig is. Gelukkig! De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort. Die leidt in al de waarheid. En Hij verheerlijkt Christus (Johannes 16:13,14). Dat betekent echter niet dat er geen raadsels overblijven. Maar als straks het volmaakte is gekomen, schreef Paulus, dan wordt alles wat ten dele is opgeheven, ongedaan gemaakt, teniet gedaan (1 Korinthe 13:10).
?Wij kennen ten dele? (1 Korinthe 13:9). Sommige mensen misbruiken die woorden om de waarheid van Gods Woord te relativeren. ?Och joh, waarom zouden die moslims, of die hindoes ook niet een stukje van de waarheid hebben. Je moet niet altijd denken dat jij zelf alleen de waarheid in pacht hebt.? Dat is in feite het denken van de huidige, postmoderne cultuur. De stiefdochter van die cultuur heet ietsisme. ?Er moet wel iets zijn, een soort hogere macht. Maar wij weten daar weinig van.? Zo redeneert ontkerstend West-Europa.
Maar je mag dat ?wij kennen ten dele? niet op die manier misbruiken. Denk eens eenvoudig aan de Heere Jezus. Kwam Hij om alle oudtestamentische wetten en ceremoniën af te keuren, ongedaan te maken, opzij te schuiven? Nee, Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen (Matthéüs 5:17). Zo is het ook met de kennis. Het kennen van God de Vader en de Heere Jezus en de Heilige Geest voor Gods kinderen zal op de jongste dag en daarna tot volkomenheid komen.
Dan houdt het ten dele kennen op. De raadsels die er nu nog zijn, de vragen, het niet begrijpen waarom de Heere niet anders met Zijn volk handelde, veranderen dan een lofzang. ?Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed? (Openbaring 5:9).
Zondag 15 april
Wees niet haantje de voorste, maar laat je leren. Matthéüs 13:54-58 ?Gekomen zijnde? leerde Hij hen in hun synagoge.?
Je leest pas de eerste keer over een synagoge in het Nieuwe Testament (Matthéüs 12:9). Want de synagoge is pas ontstaan in de tijd van de Babylonische ballingschap. De tempel was verwoest. Joden liepen gevaar zich aan te passen aan de cultuur van de heidense volken. Joden die Jehova niet wilden vergeten, probeerden een dam op te werpen tegen de geest van de tijd. Zij stichtten synagogen. Zo spoorden zij elkaar aan vast te houden aan het geloof der vaderen. Dat was niet verkeerd!
Een synagoge weerspiegelt een beetje de inrichting van de tempel in Jeruzalem. Tegenover ingang bevindt zich de ark, de bewaarplaats van de wetsrollen. De link is duidelijk. In de ark van het verbond die zich in de tempel bevond, lagen de twee stenen tafels met de Wet van de Tien geboden. Het heiligdom van de ark is in de synagoge van de publieksruimte gescheiden door een voorhangsel. Net als in de tempel. Tussen de ark en de gemeente staat de bima, de katheder vanwaar Schriften worden gelezen en uitgelegd.
Jakobus zei tijdens de eerste synode van de kerk, het apostelconvent: ?Mozes wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen? (Handelingen 15:21). De nadruk lag dus op het lezen van de profeten en het leren van de wetten van Mozes. De synagoge was ook een plaats voor gebed en een plek om onderwijs te krijgen. Van mensen die de betekenis van het Oude Testament wisten duidelijk te maken voor het doen en laten, het kiezen van de weg in de concrete, actuele situatie. Ook de Heere Jezus ging naar de synagoge. Hij onderwees Zijn ?medekerkgangers? (Matthéüs 13:54).
Wat deden de bezoekers van de synagoge? Er staat niet dat Jezus van hen leerde. Maar Hij onderwees hen. En dan mag je best een vergelijking maken met de kerk van nu. Misschien ben jij ook wel eens haantje de voorste. Net als Petrus die z?n zwaard greep (Johannes 18:10). Of verschuilt zich een schriftgeleerde in je hart die hoogmoedig vraagt: ?Zij wij dan ook blind?? (Johannes 9:40). Of heb je voor Jezus gekozen, zonder erbij na te denken dat je dat verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid? Weet je wat jij en ik vooral nodig hebben? Om ons door de Zaligmaker te laten onderwijzen! Hij is de Opperste Wijsheid (Spreuken 1:20).
Maandag 16 april
Wie is de baas in je leven? Openbaring 2:8-11 ?Ik weet? de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.?
De christenen in de gemeente van Smyrna waren arm, niet welvarend. En toch waren zij rijk (Openbaring 2:9). De rijkdom van gelovigen in Smyrna bestond in geestelijke goederen. Zij kenden Christus. Zij vertoonden Zijn beeld (Kolossenzen 3:10). De mensen in de gemeente van Smyrna waren herkenbaar als christen. Dat wekte felle tegenstand en aversie. Door leer en leven, door hun echt christelijk gedrag veroordeelden zij eigenlijk de Joden die zo prat gingen op hun goede godsdienst. En ook de heidense wereld met alle gemene afgoden
Toen de apostel Johannes tegen het jaar 90 Gods brief aan de gemeente te Smyrna schreef, zaten Joden de christenen dwars. Zij verbeeldden zich dat zij ijverden voor Gods wet. Ze zeggen dat ze Joden zijn, maar ze zijn die naam niet meer waard, schreef Johannes. En hun synagoge? Dat woord betekent in het Grieks: huis van samenkomst. Het Hebreeuws heeft daar ook een ander woord voor. Het spreekt over de knesset. Dat woord ken je waarschijnlijk. Het Israëlische parlement vergadert immers altijd in de het gebouw dat de Knesset heet.
In elk geval: de Joodse acties maken dat hun synagoge geen huis van God meer mag heten, schreef Johannes. Hij typeerde haar als synagoge des satans (Openbaring 2:9; 3:9). Want de Joden lasterden. Dat begrip heeft onder ons doorgaans de betekenis van kwaad spreken over iemand. Maar Johannes gebruikte een woord dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand.
Ben jij een echte christen? Of zeg je dat alleen maar, terwijl het niet waar is? Wie is de baas in jouw leven? Misschien voel jij je thuis in die gemeente te Smyrna. Je weet je niet welvarend. Maar je kunt God niet meer missen. Je haat de zonde. Je hebt Hem lief. En je ziet soms met vrees naar de toekomst. Hoeveel ruimte zal er nog overblijven voor christenen in Nederland? Als je verwantschap voelt met die christenen uit Smyrna, zegt Johannes het ook tegen jou: Vrees geen van de dingen, die je zult lijden. De duivel zal er een paar in gevangenis gooien. Maar wees getrouw tot de dood. Ik zal je de kroon des levens geven (Openbaring 2:10).
Dinsdag 17 april
Naar de kerk gaan: een goede gewoonte. Lukas 4:1-16 ?En Hij ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge.?
?Al die tradities! Ik verafschuw ze!? Misschien zeg je dat wel eens. Ik deed vroeger ook liever waar ik zelf zin in had. ?Al die gewoonten waar ik mij aan moet houden. Bah!? Maar is het niet opvallend, dat zelfs de Heere Jezus er gewoonten op nahield? Dat moeten goede gewoonten zijn! Hij ging, ?naar Zijn gewoonte?, op de dag van God, de sabbat, naar de synagoge (Lukas 4:16). Nou, dan doen jij en ik er stellig goed aan op de nieuwtestamentische dag van God, de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus, ook naar de kerk te gaan.
Het staat er niet maar één keertje, dat de Heere Jezus de synagoge opzocht. De evangelist Matthéüs zei over de Zaligmaker: ?Gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? (Matthéüs 13:54). Markus schreef: ?Zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden (Markus 1:21,22).
Dus de evangelisten vertelden dat Jezus ook in Zijn vaderland op de sabbat in de synagoge onderwijs begon te geven. ?Velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?? (Markus 6:1). Lukas zegt drie keer dat Jezus de synagoge bezocht. Jezus genas er zieken (Lukas 13:10-12). De schriftgeleerden en farizeeën waren razend. Maar Lukas zei ook: ?Hij werd door allen geprezen? (Lukas 4:15).
Sommige mensen antwoorden op de vraag: Wat ga je in de kerk doen: Zitten! Misschien op de galerij een beetje met je mobieltje zitten rommelen? Dat is verdrietig. Want dan koester je geen enkele verwachting van de Heere Jezus. Misschien interesseert het geloof je niet meer. Omdat je bij andere mensen in de kerk dingen zag, die voor God niet door de beugel kunnen. Dat komt voor. Helaas! Maar gaat het in de kerk om de mensen van de kerk, of om de Koning? De Heere Jezus ging Zelf op de sabbat naar de synagoge. En jij kunt in de kerk van Zijn onderwijs, heel persoonlijk, toch alleen maar beter worden?
Woensdag 18 april
Word jij ook nijdig als je hoort en ziet wat de Heere Jezus doet? Lukas 4:16-30 ?Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld.?
Misschien heb jij een bepaalde kijk op het ambt van predikant. Je houdt van een luxe huis. Villa, Volvo en Vakantie! Kostje gekocht? Nee, je zit er naast. Jezus zei: ?In de wereld zal je verdrukking hebben? (Johannes 16:33). Droefenis, ellende, tegenspoed! ?Allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen worden vervolgd? (2 Timothéüs 3:12). Dat overkwam de Heere Jezus Zelf. Zijn dorpsgenoten uit Nazareth wilden Hem in een ravijn gooien (Lukas 4:29). En een dienstknecht, een dominee, ?is niet meer dan zijn heer? (Johannes 15:20).
Er was telkens sprake van gedoe rond Jezus. Hij was opgevoed in Nazareth (Matthéüs 2:23; Lukas 4:16). Op de sabbat, ging Hij, net als andere mensen, naar de synagoge. Daar las Hij, net als andere mannen, uit de wet of de profeten. Zo las Hij in Nazareth uit Jesaja. In die tijd was er nog geen sprake van een hoofdstukindeling. De Heere Jezus las: ?De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen? (Jesaja 61:1). Nou, zei Hij: Dat gaat over Mij (Lukas 4:21).
Toen Hij ook nog Naäman, de Syriër, prees boven de ongelovige Israëlieten en de mensen uit Nazareth, die Hem slechts erkenden als zoon van Jozef, werden die luitjes in de synagoge toch kwaad (Lukas 4:28). Zulke dingen gebeurden trouwens telkens. Bij voorbeeld toen de Heere Jezus op de sabbat in de synagoge een mens met een verschrompelde, krachteloze hand genas. Wat toonden die farizeeën zich boos. Zij ?hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten? (Matthéüs 12:13,14). Zoiets ook gebeurde rond de genezing van een bezetene (Lukas 4:33). De farizeeën vonden zichzelf te goed voor Jezus. Ze wisten zich geen zondaar. Ze vonden zichzelf uitstekende kerkmensen. Ze dachten Jezus? plaatsbekledend lijden en sterven en Zijn opstandingskracht (Eféze 2:1) niet nodig te hebben. Als de Heere Jezus wonderen deed bij mensen die Hem wel nodig hadden, gingen ze Jezus? werk afkammen.
Je moet niet raar kijken als het ook nu in de kerk rumoert. Als er droefenis, ellende, tegenspoed zijn. Als er scheiding van geesten is (1 Korinthe 11:19). Maar de grote vraag is waar jij staat in de kerk. Word jij ook nijdig als je ziet wat Jezus doet? Of verheug je je daarover?
Donderdag 19 april
Paulus begon telkens in de synagoge; en jij? Handelingen 17:1-10 ?? te Thessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in??.
Paulus besloot in Athene niet in z?n eentje op de Areópagus te gaan kijken en praten. Mensen trokken hem erheen, brachten hem op die plaats (Handelingen 17:19). Waar ging de apostel altijd eerst heen? Naar de synagoge, het leerhuis, de kerk. En is dan de gang van zaken voor jou en mij niet onvoorstelbaar? Stel je voor dat er een wildvreemde zendeling uit Israël binnenstapt in ons kerkgebouw. Hij wil z?n boodschap kwijt. Niemand van de ambtsdragers geeft toestemming. ?Kerkordelijk kan dat niet. En wij hebben toch al de waarheid!?
In de synagogen in het gebied van de Middellandse Zee ging dat zichtbaar anders. Joden hadden kennelijk iets met elkaar. De apostel kwam in Antiochië, een stad in Pisidië, dus midden in het huidige Turkije. Hij zocht de synagoge op. En wat zei de overste van de synagoge? ?Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt? (Handelingen 13:15). In Ikonium voerden Paulus en Barnabas ook het woord in de synagoge. ?Een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde? (Handelingen 14:1).
Telkens bezocht Paulus tijdens zendingsreizen de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10), te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Om ze de boodschap te brengen. Ja, zeg je: Toen kon dat nog. Maar na de massamoord op Joden in de Tweede Wereldoorlog, kun je dat beter laten. O ja? Natuurlijk moet je de boodschap van de Heere Jezus altijd met respect en voorzichtigheid brengen. Maar ellendige gebeurtenissen en menselijk falen zoals in de holocaust mogen een bijbelse opdracht (Lukas 24:47) niet verdringen!
Ik ga die wildvreemde zendeling uit Israël ?of van welke plek ter wereld ook? niet uitnodigen op onze kansel. Akkoord, dat is te riskant. Johannes spoorde aan om de leer zuiver te houden (2 Johannes:9). En Paulus waarschuwde Timothéüs om toe te zien op de leer (1 Timothéüs 6:3). De geloofsleer mag een staf zijn om te gaan en een stok om te slaan.
Maar heb jij ooit een synagoge bezocht? Ik bedoel: Probeerde je ooit medemensen, Nederlandse heidenen, maar misschien ook Joden jaloers te maken? De achttiende-eeuwse predikant A. Hellenbroek typeerde als hinderpaal voor het komen van Joden tot hun Messias, Jezus van Nazareth ?dat wijzelf niet wandelen in het licht des Heeren.? Dat geldt ook voor heidenen.
Vrijdag 20 april
Dagelijks Schriftonderzoek: voorbeeldig! Handelingen 17:10-18 ?Paulus en Silas? naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; en dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren.?
Eindelijk wachtte Paulus en Silas een echte preekstoel. De overheid van Filippi had hen vriendelijk, doch voortvarend verzocht te vertrekken (Handelingen 16:39). De grote Romeinse weg, de Via Egnatia, voerde hen langs steden als Amfipolis en Apolonia. Eenmaal Thessalonica binnengelopen, vonden ze een synagoge. Op die plek begonnen ze gelijk de boodschap te brengen. Na drie sabbatten bleken Joden nijdig. Ze veroorzaakten een rel. Zij riepen de hulp in van een paar schurkachtige leeglopers van de markt (Handelingen 17:1,2,5).
Het eind van het liedje was dat Paulus en Silas naar Beréa vertrokken. Daar waren de Joden ?edeler, dan die in Thessalonica? (Handelingen 17:11). Het centrum van die oude Griekse stad toont nog altijd een monument voor Paulus met mooie mozaïeken. Het gedenkteken verbeeldt Paulus? visioen. ?Kom over in Macedonië en help ons? (Handelingen 16:9). De zee is zichtbaar. Het schip ligt klaar. Het monument laat ook Paulus? preek in Beréa zien. Is het anno 2012 een beetje gedaan met de edelheid in Beréa? Moslims konden het althans niet laten dichtbij het gedenkteken een forse moskee te bouwen.
Waarom waren die Joden van Beréa nou edeler dan die uit Thessalonica? De Heere Jezus had gezegd: ?Die in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat? (Matthéüs 13:23). En wat deden die Joden uit Beréa? Zij ?ontvingen het Woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren? (Handelingen 17:11). Dus ze baseerde zich niet op praatjes, of menselijke goed- of afkeuring, of op horen zeggen. Maar begeerden hun levenshuis op het Woord te bouwen. Dat is mooi!
Die Joden uit Beréa vormen een voorbeeld voor jou en mij. Ze gingen er niet een avondje voor zitten om daarna ?de Schriften? ?het Oude Testament (2 Korinthe 3:14)? te sluiten. Ze waren dagelijks bezig met onderzoek, of Paulus gelijk had. ?Of deze dingen alzo waren.? De apostel had gelijk. Hij was, onderweg naar Damascus, door de Heere Jezus eerlijk gemaakt. Maar hij was van huis uit farizeeër. Hij kende ?de Schriften? als geen ander. Hij preekte al direct na zijn bekering in de synagogen, dat Christus Gods Zoon is (Handelingen 9:20).
Overigens: hoe ga jij, hoe ga ik te werk? Waar horen wij bij? Bij de Joden uit Thessalonica? Of bij die van Beréa?
Zaterdag 21 april
Heb jij, net als Crispus, je leven over voor het Evangelie? Handelingen 18:1-8 ?En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis.?
De stad Korinthe werd verwoest in 146 voor Christus. Een eeuw later gaf de Romeinse keizer Julius Caesar bevel Korinthe te herbouwen. Het werd een kolonie. Die bleek vooral bevolkt door Romeinse vrijgelatenen, voormalige slaven. De bewoners van een kolonie waren meestal geen makkelijke jongens. Individualisten. Mensen die een beetje bijsturing nodig hadden. Korinthe lag bovendien op een landengte. Vanaf de ene kant was het goed mogelijk naar Rome te varen. Vanaf de andere kant voer je naar Eféze en Smyrna. Vanwege die ligging trok Korinthe een internationale mengelmoes aan van avonturiers: kooplui, havenwerkers, slaven.
Vooral de eredienst van Aphrodite, de godin van de liefde, zorgde met haar honderden priesteressen die ?gewijde? ontucht bedreven voor een onvoorstelbaar brute zedeloosheid en losbandigheid. De Grieken zelf, de oorspronkelijk in deze streken wonende mensen, betitelden een zedeloos mens als ?een Korinthiër?.
Er woonden ook Joden in Korinthe. Dat waren relatief nette mensen. Maar toen Paulus ze in de synagoge het Evangelie ging preken, werden zij heel erg nijdig. Lukas schreef dat de Joden ?wederstonden en lasterden? (Handelingen 18:6). Daar mag je niet te gering over denken. Want voor dat woord lasteren gebruikte Lukas een begrip dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand. Paulus zag zich genoodzaakt z?n biezen te pakken. Ik zal voortaan voor de heidenen gaan preken, zei hij.
En toch? Er was een eenling. Crispus. Hij geloofde! En Crispus was nog niet eens de eerste de beste. Nee, hij was overste van de synagoge. Dat was eigenlijk een soort kerkenraadslid. Hij zorgde voor de orde in en behartigde de belangen van de synagoge. Jaïrus was ook zo iemand (Markus 5:22). Die Crispus durfde. Wat had de Heere Jezus ook al weer gezegd? ?Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen God een dienst te doen? (Johannes 16:2). Dat riskeerde Crispus. Dus het geloof van Crispus moet heel diep gezeten hebben. In elk geval heeft Paulus hem ook gedoopt (1 Korinthe 1:14). Crispus geloofde en z?n hele gezin ging mee.
Zou jij ook zo?n Crispus willen zijn? Zou je je leven over hebben voor het Evangelie?
Zondag 8 april: Jezus leeft
Markus 16
vers 6: ?Gij zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet.?
Pilatus verklaarde drie keer dat Jezus geen schuld had. De stadhouder sprak daarom geen doodvonnis uit (Lukas 23:22). Toch zwichtte hij. Voor het opgestookte, (Lukas 23:10) razende volk. Hij gaf tenslotte toestemming Jezus te kruisigen. Alles scheen voorbij. Vrouwen uit Galilea dachten Jezus de laatste eer te bewijzen (Lukas 24:1). Zij hadden niet door dat Hij door mensenhanden niet gediend hoeft te worden (Handelingen 17:25). En dat hun allerbeste doen en laten voor God geen gewicht in de schaal legde (Jesaja 64:6). Breng je gebroken en verslagen hart mee! Schuld! Iets anders hoef je bij de Heere Jezus niet te brengen. Hij geeft. Zonder prijs (Jesaja 55:1). Ze kwamen. Maar ze hoorden: ?Hij is opgestaan!? (Markus 16:6).
Als jij in Jeruzalem op zondagochtend kort voor kerktijd aanklopt bij de Graftuin, zit de deur soms nog op slot. Je staat te wachten. Iemand opent van binnen uit de deur. Hij roept de mensen op straat luidkeels toe: ?Hij is hier niet!? Dat zei ook de engel tot de vrouwen die hun Meester de laatste eer wilden gaan bewijzen. ?Hij is opgestaan!?
Wat is er gebeurd? Sinds de zonde in het Paradijs is er niemand meer die goed doet (Psalm 53:4). De mens die zondigt, zal sterven (Ezechiël 18:4). Ieder mens heeft zijn individuele eeuwigheid nodig om die straf uit te zitten. Eindeloos. Maar Jezus doorleefde ?om zo te zeggen? al die eeuwigheden aan straf van Zijn volk bij elkaar in korte tijd. Tijdens Zijn leven. Speciaal aan het kruis (Deuteronomium 21:23). Zo droeg Hij de straf die talloze zondaren vrede met God brengt (Jesaja 53:5). Hij legde Zelf uit liefde tot God en zondaren Zijn leven af (Lukas 23:46). Toen Hij de straf had gedragen, had God geen reden Hem in de dood te houden. Hij wekte Jezus op. Jezus stond ook Zelf op. Om genade uit te delen. Zelfs aan vijanden (Psalm 68:19).
De mens die zondigt, sterft (Ezechiël 18:4). Zo iemand is eigenlijk al gestorven. Dood in zonden en misdaden (Eféze 2:1).Maar Die gekruist was, is opgestaan. Jezus leeft! Hij regeert. Hij kan ook jou het nieuwe leven geven. Wie met Hem wordt opgewekt (Eféze 2:1), wie in Hem leert geloven, mag vroeg of laat ervaren dat hij voor God niet langer in staat van beschuldiging verkeert (Romeinen 5:1).
Maandag 9 april: Simon heeft Hem gezien
Vers 34: ?Zij keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven saamvergaderd, en die met hen waren; welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.?
De vrouwen die bij Jezus? graf afscheid van Hem dachten te nemen, kregen een opdracht. Zeg tegen de discipelen ?en vergeet Petrus niet? dat jullie de Heere Jezus zullen ontmoeten in Galilea (Markus 16:7). Zij gingen haastig terug. Ze hielden het nieuws geheim (Markus 16:8). Tot zij de discipelen vonden (Lukas 24:9). Niet alleen die vrouwen brachten zo?n bericht. Ook de Emmaüsgangers herkenden hun Meester (Lukas 24:31). Ook zij haastten zich naar Jeruzalem. Misschien waren de discipelen hen wel voor met te zeggen: ?De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien? (Lukas 24:34).
Vergeet Petrus niet, hadden de engelen gezegd (Markus 16:7). De discipel kreeg ooit die naam, toen hij beleed dat de Heere Jezus ?de Zoon van de levende God? was (Matthéüs 16:16). Petrus fungeerde als woordvoerder van alle discipelen. ?U bent de Messias!? Mogelijk dachten z?n medeleerlingen: Dat heeft hij netjes gezegd! Later bleek toch dat Petrus iets had van een angsthaas. Toen hij zijn Meester verloochende in de zaal van de hogepriester. Jezus keek hem aan. Petrus ging naar buiten. De grote, sterke man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld. Wat deed hem dat een onuitsprekelijke, bittere pijn (Lukas 22:60-62). De illusie van nieuw leven scheen voorbij.
Misschien herken jij ?net als ik? iets van Petrus in je leven. Het grootste woord af en toe! Hele verhalen! Ik zal getuigen! Maar als het puntje bij het paaltje komt, kies ik eieren voor m?n geld. Zodra mijn principe geld kost, moet ik er eerst nog even over denken, wat ik zal zeggen. Of was er bij Petrus meer? Ja! Zodra Jezus naar hem keek, schaamde hij zichzelf. Hij had berouw. Hij kende zich schuldig. Hij wist dat hij door te ontkennen dat hij bij Jezus hoorde, had gezondigd. O, wat had hij een verdriet. Hij huilde bitter.
Overtrof de liefde bij Petrus het schuldgevoel (Johannes 21:7)? Zulke mensen zijn er! De Heilige Geest overtuigde hen van zonden (Johannes 16:8). Maar zij hebben toch God lief. En zij dienen Hem niet alleen voor de hemel. God laat het trouwens niet bij die overtuiging alleen. Kijk maar naar Paulus. ?Ik ben de minste van de apostelen?, schreef hij. Maar Jezus ontmoette ook Paulus (1 Korinthe 15:8-9). De opgestane Christus zoekt kennelijk zulke zondige mensen op. Simon! Jou?
Dinsdag 10 april: De Zaligmaker is geen sprookje!
1 Korinthe 15
Vers 3,4: ?Dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften. En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.?
Het Nieuwe Testament brengt telkens ?de Schriften? ter sprake. Dat zijn natuurlijk geen schoolschriften. Die uitdrukking duidt op de hele verzameling oudtestamentische bijbelboeken. Die lijst, de canon, was al bekend als afgesloten, compleet geheel, toen het Nieuwe Testament werd geschreven. Paulus sprak heel concreet over ?het lezen des Ouden Testaments? (2 Korinthe 3:14). De apostel was van huis uit farizeeër (Handelingen 23:6). Dus hij kende ?de Schriften?. Hij wist dat Christus? opstanding in het Oude Testament al was voorzegd (1 Korinthe 15:3,4).
Zo betoogde Paulus telkens, dat hij geen nieuwlichter was. Hij preekte geen nieuwe leer. ?Ik zeg niets buiten datgene wat de profeten en Mozes hebben voorzegd. Zij zeiden al dat Jezus van Nazareth, Christus, lijden moest, en dat Hij zou opstaan uit de doden? (Handelingen 26:22,23). Misschien dacht Paulus aan Mozes? woord dat ?een opgehangene Gode een vloek is? (Deuteronomium 21:23). Mogelijk had hij het oog op Jesaja?s profetie: ?Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld? Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen (Jesaja 53:9,10).
Paulus was niet de enige die telkens naar het Oude Testament verwees en aangaf dat Christus de langverwachte Messias is. Ook Matthéüs deed dat. Hij zei herhaaldelijk dat het leven van Jezus ?klopte? met het Oude Testament (Matthéüs 21:42). Toen hij bij voorbeeld Judas? verraad beschreef, zei hij: ?Zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen? (Matthéüs 26:15). Daar ligt een link naar Zacharia 11:12. Karakteristiek is voor Matthéüs bovendien het vaak terugkerende accent op het Schriftbewijs met de woorden: ?opdat vervuld zou worden.?
Petrus ging in zijn pinksterpreek trouwens op dezelfde manier te werk. David zong: ?Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie? (Psalm 16:10). Nou, zei Petrus, dat ging niet alleen over David hoor. David was profeet. Hij wist dat hij een van de voorouders was van de Zaligmaker in Zijn menselijke natuur. ?Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien? (Handelingen 2:31).
Theologen proberen zich met allerlei moderne ideeën van Jezus af te maken. Paulus en Petrus en Matthéüs deden dat niet. Jezus was geen sprookje. Jij kunt ook niet om Hem heen!
Woensdag 11 april: De discipelen hadden geen oog voor Jezus? werk
Mattheus 16
Vers 21: ?Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.?
De Heere Jezus zei: Ik ga lijden en sterven. Daarna sta ik op uit de dood. Maar de discipelen wilden er niet aan. Petrus begon Hem op Z?n nummer te zetten. Dat is eigenlijk begrijpelijk. Hij ging elke dag intensief met zijn Meester om. Het was zo goed dagelijks te delen in Jezus? gezelschap, Zijn liefde, Zijn gunst. Dat wil je toch niet kwijt? Een stervende Zaligmaker? Daar wil je niet van horen. Eigenlijk vanuit de gedachten: Waar is dat voor nodig? Dus Petrus zei: ?Heere, wees U genadig! Dit zal u geenszins geschieden? (Matthéüs 16:21).
Toen echter later de Emmaüsgangers bedroefd waren, omdat Jezus gekruisigd was, zei de Zaligmaker: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Je kon het weten! Hoe dan? Nou, Jezus reed op een ezelin Jeruzalem binnen (Matthéüs 21:7,10). Zacharia zei eeuwen daarvoor al: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Er kwam een met zwaarden en stokken gewapende bende om Jezus te vangen. De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
Maar Petrus en de andere discipelen leefden van de liefde. En ze dachten te goed over zichzelf. Jezus lijden? Waarom? Wellicht kenden ze ook wel die andere woorden van de profeet: ?Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn? tegen de zonde en tegen de onreinigheid? (Zacharia 13:1). Mogelijk legden ze dat zo uit: Als we maar dicht bij Jezus leven en Hem liefhebben, dan zullen we het zondigen wel laten. Zoiets heb jij misschien ook wel eens gedacht. Maar die Fontein duidt op Jezus? ?rantsoen voor velen? (Markus 10:45).
Jij, ik, wij kunnen ons heel wat verbeelden! We gaan misschien al vijftien of vijfentwintig jaar keurig naar de kerk. Maar met al m?n godsdienstigheid ben ik er ?net als Petrus? blind voor dat de Zaligmaker Zijn leven moest afleggen, de straf moest dragen voor mijn zonden. Die blindheid moet je leren kennen, leren belijden als schuld. Wat is het een voorrecht dat de Heere Jezus opstond. Hij leeft. Om mensen zoals jij en ik dat te leren. Net als de Emmaüsgangers (Lukas 24:27).
Donderdag 12 april: De Heere Jezus is de Opstanding en het Leven
Johannes 11
Vers 25: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.?
Denk je dat de Heere Jezus alle mensen op dezelfde manier liefheeft? Echt niet! Scherp richtte Hij Zich tegen farizeeërs, rechtzinnige, wettische mensen die probeerden zelf rechtvaardig te zijn voor God. Hij keerde Zich al net zo fel tegen sadduceeën. ?Gij adderengebroedsels!? Kinderen van de slang (Matthéüs 3:7). Sadduceeën koesterden liberale ideeën. Zij richtten zich alleen op de geschreven wetten, niet op mondelinge traditie. Ze ontkenden dat God ingrijpt in de historie. Zo verbonden ze geluk en onheil, aan de menselijke vrije wil. Maar Johannes schreef: ?Jezus had Martha, en haar zuster, en Lázarus lief? (Johannes 11:5)!
Waar hoor ik bij? En jij? Bij de farizeeërs? Bij de sadduceeën? Of bij Martha en Maria en Lázarus? Mogelijk heb je verdriet. Omdat je niet in staat bent goed voor God te leven. Of het klinkt je af en toe in je oren: ?Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid!? (Matthéüs 21:19). Misschien heb je jezelf ook wel eens herkend in dat verschrikkelijke woord adderengebroedsel. Dat is erg! Dan ligt er een link naar Adam die luisterde naar de slang in het Paradijs (Genesis 3:4,6). Dan dreigt de eeuwige dood. Want zo zei de profeet het toch? ?De ziel, die zondigt, die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
Uitzichtloos! Dat dacht Martha misschien wel, toen haar broer Lázarus was gestorven. ?Als U er maar geweest was, Heere Jezus, dan zou hij vast niet zijn gestorven?, zei ze. De Zaligmaker antwoordde: ?Uw broer zal weer opstaan? (Johannes 11:23). ?Ja, dat weet ik wel?, zei Martha. ?Straks, in de opstanding op de laatste dag? (Johannes 11:24). Was Martha werkelijk hopeloos? Of gloorde er toch iets van een heilige geloofsverwachting in haar hart? Want de Heere Jezus zei: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? En even later vroeg Hij bovendien: ?Gelooft gij dat?? (Johannes 11:25,26). Ze zei: Ja!
Ken je jezelf als sadduceeër? Zit er een moderne theoloog in je hart, die zich met moderne ideeën van Jezus probeert af te maken? Of vind je van binnen een farizeeër? Zoals Paulus voorheen. Heb je iets weg van Petrus. Hij verloochende Zijn Meester. De grote man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld (Lukas 22:60-62). De opgestane Christus zoekt juist zulke zondige mensen op. Hij zegt: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? Geloof jij dat?
Vrijdag 13 april: Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding
1 Korinthe 15
Vers 17: ?Indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs.?
Tevergeefs! Wat is dat vreselijk woord. Een aantal mensen van de christengemeente te Korinthe, was niet zuiver in leer en leven. Jazeker, zulke discussies speelden ook bijna tweeduizend jaar geleden al een rol. Er waren leden in die gemeente die het stoffelijke verachtten. Zij zeiden: het kwaad, de zonde, zit in de stof zelf. Het gaat er om los te komen uit die stoffelijke wereld. Nou, toen vonden ze natuurlijk ook de lichamelijk opstanding van de Heere Christus niet zo belangrijk meer.
Pas op, waarschuwde Paulus: ?Indien Christus niet opgewekt is, is uw geloof tevergeefs? (1 Korinthe 15:17). Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding! Als Christus niet is opgestaan, is je geloof misleidend, zonder grond. Dan ben je verloren (1 Korinthe 15:18). Je verzint maar iets. Dan is je geloof leeg, doelloos, dwaas. Mogelijk dacht Paulus aan Jezus? woord ?tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn? (Matthéüs 15:9). Of aan een van zijn brieven: ?Als de rechtvaardigheid door de wet is, is Christus tevergeefs gestorven (Galaten 2:21).
Twijfel aan Christus? opstanding is menselijk. De sadduceeën geloofden niet een opstanding van doden. Al toen de Heere Jezus Zelf nog door het land liep, kwamen er van die sadduceeën naar Hem toe met gemene strikvragen (Matthéüs 22:23). Dat ongeloof in de opstanding der doden manifesteerde zich om te beginnen reeds met leugens. De soldaten die op wacht gestaan hadden bij het graf van Jezus kregen opdracht van de Joodse ouderlingen ?nota bene!? om rond te vertellen dat Jezus? lijk was gestolen (Matthéüs 28:11-15).
Twijfel aan Christus? opstanding is gevaarlijk. Mensen kunnen er niet meer van loskomen. Ruim twintig jaar geleden zat op zondagavond in Moskou een journalist van een christelijke krant aan tafel met drie Nederlandse theologen. Het was een poosje na Pasen. De geleerde dominees ?twee mannen en een vrouw? hadden allen het geloof in Christus? opstanding prijsgegeven. De krantenjongen kon z?n mond niet houden. Eén van die theologen antwoordde, bijna jaloers: Houd er aan vast, als je dat nog kunt!
Tevergeefs! Dat kan tot een kwellende klank worden, die je geest bezet. Je kunt het woord niet meer kwijt raken. En tegelijk veroordeelt het je. Zo kan de duivel mensen kwellen. Maar het staat vast! ?Ik ben de Opstanding en het Leven? (Johannes 11:25).
Zaterdag 14 april: Wedergeboren door de opstanding van Jezus Christus
1 Petrus 1
Vers 3: ?Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.?
De Heere Jezus zei tegen Nicodémus: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). De Dordtse Leerregels noemen wedergeboorte een bovennatuurlijk werk van God. Jezus zei: dat nieuwe leven wordt verwekt door God de Heilige Geest (Johannes 3:6). Kenmerkend voor die wedergeboorte is, dat je God lief krijgt (Johannes 21:17). Je durft het nauwelijks hardop te zeggen. Toch kun je Hem niet meer missen. God kwijt zijn is erger dan de dood. En je probeert ook de zonde uit te roeien. Ze doen God verdriet. Toch gloort er hoop in je hart (Romeinen 5:5).
De apostel Petrus was wedergeboren. Hoe kwam hij daartoe? ?Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden? (1 Petrus 1:3). God had in het Paradijs tegen Adam en Eva gezegd: Je mag niet eten van de vrucht van de boom van de kennis des goeds en des kwaads. Als je dat toch doet zul je ?de dood sterven? (Genesis 2:17). Dat wist Petrus. Zo tekende ook Paulus de situatie, de staat waarin elk mens verkeert. ?Wij waren dood door de misdaden?, schreef hij. Maar ?God heeft ons in Zijn barmhartigheid levend gemaakt met Christus? (Eféze 2:5).
Hoe gebeurde dat? Mensen verdienen straf van God vanwege de zonde. Maar de Heere Jezus stierf als Plaatsvervanger voor zondaren. Door Hem is weer vrede mogelijk met God. Hij gaf Zijn leven als (ver)losgeld voor velen (Markus 10:45). Toen dat zware werk verricht was, wekte God Jezus op uit de dood. En mèt Hem wekte God ook al degenen op voor wie Jezus de straf had gedragen. ?U heeft Hij méde levend gemaakt? schreef Paulus (Eféze 2:1). De opgestane Jezus Zelf begon dat nieuwe leven, die genade uit te delen (Psalm 68:19).
Dus die wedergeboorte is niet iets dat je zelf organiseert. Jullie hebben Mij niet uitverkoren, maar Ik heb jullie uitverkoren, zei de Heere Jezus (Johannes 15:16). De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat een mens wordt wedergeboren door het geloof. Maar echt geloof is dan toch weer een gave van God (Eféze 2:8). Petrus wist heel goed dat hij dat niet had verdiend. Toch vormde de uitverkiezing voor hem geen muur, maar een poort (1 Petrus 2:9). Hij barstte los in een blijde jubel: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus en geloofd zij Zijn barmhartigheid.
Zondag 1 april?
Zelfs voor iemand die opzettelijk een moord pleegt? Numeri 35:19-31 ?Gij zult geen verzoening nemen voor de ziel van de doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.??
?
Verzoening? Voor iemand die volgens een vooraf beraamd plan een moord pleegt? Nee, natuurlijk niet! Toen God na de zondvloed een verbond maakte met Noach, zei Hij al: Wie het bloed van een mens vergiet, zo iemand moet sterven. Omdat hij in zijn naar Gods beeld geschapen naaste eigenlijk God Zelf heeft aangetast (Genesis 9:6). Ook in Israël gold later dat wie met opzet een moord pleegde, de doodstraf kreeg. De bloedwreker, doorgaans een familielid van de vermoorde man of vrouw, was verplicht de dader te doden (Numeri 35:31).?
?
Is het geen vreemde uitdrukking? ?Gij zult geen verzoening nemen??. Mozes hanteerde met dat woord ?verzoening? een begrip dat ook werd gebruikt voor het loskopen van slaven. Je zou kunnen zeggen: de (ver)losprijs, het losgeld. Maar voor de man of vrouw die opzettelijk iemand had gedood, was die verzoening niet mogelijk. Mohammed dacht daar anders over. Hij vond dat je bloedwraak wel kon afkopen. Volgens de koran, kan iemand, zelfs als er sprake was van moord met voorbedachten rade, dat met geld goed maken. (Sura 2:178,179).?
?
Het kon gebeuren dat iemand de dood vond, omdat zijn buurman onopzettelijk slordig handelde. Die buurman mocht naar één van de zes vrijsteden vluchten (Numeri 35:11). Die stad vormde een beeld van de verzoening door het werk van de komende Messias, de Heere Jezus Christus. Maar het was in Israël verboden om met geld, met steekpenningen of zoiets, een doodstraf af te kopen. De rechter mocht geen boete opleggen om iemand op die manier in plaats van de doodstraf vrijuit te laten gaan. De opzettelijke doodslager moest sterven.?
?
Toch mocht er ooit zo?n moordenaar naar de hemel. Iemand die opzettelijk een moord pleegde? Hij beleed althans zelf: Het is rechtvaardig dat wij, op de heuvel, voor straf aan het kruis hangen (Lukas 23:41). Toen hij z?n zonde beleed en vergeving vroeg, schonk de Heere Jezus hem nog veel meer dan het tijdelijke, maar zelfs het eeuwige leven (Lukas 23:43).?
?
Hoe was dat nou toch mogelijk? Omdat de Heere Jezus Zelf de (ver)losprijs, de schuld van die moordenaar betaalde. ?De Zoon des mensen is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen? (Matthéüs 20:28). Ondanks Mozes? in Gods opdracht geschreven woorden dat een opzettelijke doodslager de doodstraf krijgt. Dat is nou pure genade!?
Maandag 2 april?
?Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk? Romeinen 3:19-28 ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening.??
?
Verzoening? Hoezo? God schiep de mens toch naar Zijn eigen beeld? Goed! (Genesis 1:26, 31). Ja, maar Eva en Adam waren God ongehoorzaam. Zij luisterden naar de slang en de duivel. Zij aten verboden vrucht (Genesis 3:4,6). Zij gedroegen zich goddeloos (Romeinen 1:18). Zo haalden zij Gods toorn over zich heen. De dood! (Genesis 2:17). Goddeloze mensen hebben geen vrede (Jesaja 48:22). Die onvrede kan maar op één manier worden bijgelegd. Door Jezus Christus, Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:25).?
?
Toen Paulus het woord verzoening gebruikte, bedoelde hij dat de verhouding tussen God en alle mensen ?ook het nageslacht van Adam en Eva? door de zonde zeer diep is verstoord. Van ons, mensen, geldt, schreef de apostel, dat wij van nature ongehoorzaam en onwijs zijn. Wij dienen eigen genot, lusten, verleidingen. Het is zo erg, dat wij God en elkaar haten (Titus 3:3).?
?
Paulus gebruikte in de proclamatie van ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:25) een woord dat duidt op genadig zijn, iemand vriendelijk stemmen. Alleen door geloof in Christus valt weer vrede bij God te vinden (Romeinen 5:1). Elders typeerde hij ?t middel tot verzoening als rantsoen, (ver)losgeld. Daarmee valt een openstaande rekening, ?n schuld te betalen. Zo gaf de Heere Jezus Zijn ziel tot een rantsoen voor velen (Markus 10:45).?
?
Wanneer vind je dat nou aantrekkelijk? Ja, natuurlijk als het een levende werkelijkheid voor je wordt, dat de toorn van die goede God, die je diep in je hart lief hebt, over je heen gehaald hebt. De dood! (Genesis 2:17). Als je gaat beseffen dat je zelf de openstaande rekening van de zondeschuld aan God niet kan betalen. Dat je iemand nodig hebt die je loskoopt en je zo bevrijdt van het verderf (1 Petrus 1:18).?
?
Paulus schreef aan de christenen in de gemeente te Rome en van alle tijden: Er is genade en verlossing verkrijgbaar bij ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:24,25). De apostel begeerde Christus in al Zijn heerlijkheid aan te wijzen, uit te stallen als een geschikte Zaligmaker voor zondaren. Oudtestamentisch gezegd: ?Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk? (Hooglied 5:16). Of leerde je nog nooit je zonden kennen? Dan moet je ook bij Hem zijn. Hij kan je alles leren.?
Dinsdag 3 april?
Ben jij, net als Asaf, een voorbidder? Psalm 79 ?Red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.??
?
Juda keerde terug naar de oude, heidense goden (Jeremia 25:6). Zoals je nu via internet weer bij Donar en Wodan terecht kunt. Juda maakte God boos, want het hield zich niet aan Gods wet en verbond (Jeremia 25:8). Zoals de doorsnee Nederlander niets meer weet over Willem van Oranje en zijn vast verbond met ?de Potentaat der potentaten?. Koning Manasse was een moordenaar (2 Koningen 24:4). Koning Jojachin had de zonde liever dan God. Bestaat er geen overeenkomst tussen het volksleven van Juda en dat van onze tijd??
?
De HEERE zei: voor straf stuur Ik Nebukadnezar. Die verbrandde de tempel en maakte Jeruzalem met de grond gelijk (2 Koningen 25:9,10). Dat gebeurde rond 586 voor Christus. Het was een vreselijke, zondige tijd. Toch waren niet álle ambtsdragers huichelaars. Let eens op Asaf. Misschien een nakomeling van de levitische zanger Asaf die in de tijd van David leefde (1 Kronieken 16:5). Hij barstte uit in een hartstochtelijke klacht. ?O God, heidenen zijn gekomen in Uw erfenis? (Psalm 79:1).?
?
Asaf deed meer. Hij vroeg vergeving. Als wij tot God bidden, betreft dat doorgaans ons eigen leven. Ik houd de Heere regelmatig een verlanglijstje voor. Hopelijk belijd jij ook je zonden. Maar Asaf bad niet alleen voor zichzelf. Hij bleek voorbidder voor het hele volk. ?Gedenk ons de vorige misdaden niet? (Psalm 79:8). ?Red ons, en doe verzoening over onze zonden? (Psalm 79:9). Hij deed een beroep op ?de eer van Gods Naam?, op Zijn verbond. Want zouden heidenen de spot niet steken met de HEERE, als Hij Juda zou laten overwinnen??
?
?Doe verzoening over onze zonden?, bad Asaf. ?Wij verdienen het niet. Maar wilt U, HEERE, toch weer goed op ons zijn.? Hij smeekte om verzoening, om Gods genadige gezindheid over het naar Zijn Naam genoemde volk. Zoals Jeremia dat ook deed: ?O HEERE! Wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet? (Jeremia 14:9). En zoals David zong: ?Uw aangezicht in gunst tot mij gewend, schenkt mij in ?t kort verzadiging van vreugde? (Psalm 16:6). Dan kan een volk verder, zelfs als de stad verbrandt (Habakuk 3:17,18).?
?
Bestaat er overeenkomst tussen het volksleven van Juda en dat van onze tijd? Voel jij je soms ook zo zelfvoldaan en tevreden? Of ken je net als Asaf de schuld. Mag je voorbidder zijn??
Woensdag 4 april?
Het middel tot verzoening met God is beschikbaar. 2 Korinthe 5:11-21 ?Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.??
?
De theoloog Anselmus (1033-1109) besefte dat de relatie tussen God en mens door de schuld van de zonde volslagen is verstoord. Hij schreef een boek met als titel: ?Waarom werd God mens?? Daarin zei hij dat Christus? kruisdood als plaatsvervangend offer voldoende was om de geschonden verhouding met God (Romeinen 1:32) te herstellen (Romeinen 3:24,25).?
?
Moderne theologen willen daar niks van weten. Op Goede Vrijdag 1959 zei de Nederlander P. Smits over de verzoening: ?Geef mijn portie maar aan Fikkie?. Hij protesteerde tegen de gedachte dat een Ander zijn schuld zou moeten dragen. In 1963 publiceerde de Engelsman John Robinson het boek ?Eerlijk voor God?. Hij zei dat God Zijn Zoon niet strafte in de plaats van zondaren. In 1965 schreef de Duitse theologe Dorothee Sölle het boek ?Plaatsbekleding?. Volgens haar is het niet waar dat Christus ?iets voor ons zou opgeknapt hebben bij God?.?
?
?Ja?, zeg jij, ?maar hoe zit dat dan? God heeft door Christus ?de wereld met Zichzelf verzoend?. (2 Korinthe 5:19). Dus wij gaan allemaal naar de hemel!? Nee! Allereerst: Paulus schreef over ?de wereld?. Na de zondeval lag die schepping onder de vloek (Genesis 3:17). Johannes zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 21:1). Dat valt niet los te maken van Christus? offer. Vervolgens: voor jou en mij blijft de cruciale vraag, of wij wedergeboren zijn (Johannes 3:3). Ontvingen jij en ik van God een waar geloof (Eféze 2:8)??
?
Je zegt: ?Maar Paulus zei dat God ?hun zonden hun niet toerekenende.? Dus dat betreft mensen?? Dat klopt. Maar Paulus gebruikte geen voltooide tijd. Hij hanteerde niet een Grieks woord dat aangaf dat God de hele wereld op dat moment al zonder tegenprestatie in Z?n gunst en genade had hersteld. De apostel schreef dat Christus de zonde had overwonnen. Daardoor kan Hij voortdurend fungeren als het (ver)zoengeld, het (ver)losgeld ter wegneming van de schuld van zondaren. Hij is het middel voor ieder die in Hem gelooft (Johannes 3:15).?
?
Jezus zei ook Zelf: ?Het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft? (Johannes 6:33). Maar als alles al ?voor elkaar? was, had Paulus niet hoeven schrijven dat God ?het woord der verzoening in ons heeft gelegd? (2 Korinthe 5:19). Dan had hij immers niet meer hoeven evangeliseren.?
Donderdag 5 april?
Een unieke Gezant brengt uitkomst. Job 33:14-26 ?Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.??
?
Is dat woord ?verderf? voor jou ook zo?n cliché, zo?n woord dat je eigenlijk niet veel meer zegt? Natuurlijk vloek je niet. Dat doet God verdriet. Mensen die Gods Naam wel misbruiken, denken er doorgaans helemaal niet bij na. Zij spreken een vloek uit als een soort stopwoord. Maar wat zegt het jou nog, als jij de woorden ?verdoemelijk? en ?verderf? over de rand van de kansel hoort komen? Iets? Niets? Terwijl toch dat woord verderf iets vreselijks is. Wie geen weet heeft van verzoening met God, daalt neer in het verderf (Job 33:24).?
?
Job kende ellende. Van hem gold: ?De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis? (Psalm 116:3). Hij was vogelvrij. Hem wachtte verderf, de machten van de dood, de ondergang, de vertering. Hij zei: ?Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!? (Job 17:14). Job was levend al bijna gestorven. En als het woord verderf in het Oude Testament ter sprake komt, ligt doorgaans de nadruk op eigen schuld.?
?
Had Job schuld? Z?n drie ?vrienden? zeiden dat hij een huichelaar was (Job 20:5). ?Je hebt de armen van hun kleding beroofd, de hongerigen geen eten gegeven, de weduwen slecht behandeld? (Job 22). Dat raakte kant noch wal. Toch toonde Job berouw. Voor de heilige God kan nietig mensje immers nooit bestaan (Job 42:6). Job steunde te veel op zijn eigen gerechtigheid (Job 33:9). Maar Jobs echte vriend, Elihu, bracht een unieke Gezant ter sprake (Job 33:23). De Engel des HEEREN. Christus, de pleitbezorger. God acht Zijn (ver)losprijs aanvaardbaar. ?Ik heb verzoening gevonden? (Job 33:24).?
?
Job wist wat ellende was. Hij had geen andere verwachting dan het verderf. Toch kwam er een moment in zijn leven, dat hij door het geloof uitbrak in de jubel: ?Ik weet, mijn Verlosser leeft? (Job 19:25). Hoe was dat mogelijk? De grote Lijder van het Nieuwe Testament, Jezus, had gebeden ?Vader, verlos Mij uit dezer ure? (Johannes 12: 27). Hij bad dat ook als Plaatsvervanger voor Zijn volk. Zodat degenen die in Hem geloven verzoening vinden. Maar als het begrip ?verderf? voor jou een term blijft, zo?n woord dat je niet veel meer zegt, wat moet je dan met verzoening doen??
Vrijdag 6 april?
Een Voorspraak tot verzoening. 1 Johannes 2:1-6 ?Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.??
?
Het woord kinderkens, kindertjes, komt wel zeven keer voor in de eerste brief van Johannes. Over wie ging het? Waren dat louter naamchristenen? Mensen die er genoeg aan hadden één of twee keer naar de kerk te komen? Die in de week volgens het schema van de wereld leefden? Dat ligt niet voor de hand. De apostel richtte de brief aan z?n geliefden. Hij noemde ze kinderen Gods (1 Johannes 3:2). Zo zat de Heere Jezus ook met Zijn discipelen aan het avondmaal. Toen zei hij: ?Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u?? (Johannes 13:33).?
?
De apostel schreef al in zijn Evangelie: ?Zovelen Hem aangenomen hebben? ?dat betreft dus Jezus? ?die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden? (Johannes 1:12). Dat is niet zomaar als mensje het eerste levenslicht zien, maar opnieuw, ?uit God geboren? worden (Johannes 1:13). Dat wordt concreet in de geschiedenis van Nicodémus. Die zei: ?Zeg, Rabbi, wij weten??. Maar de Heere Jezus sneed zijn verhaal abrupt af: ?Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien? (Johannes 3:3).?
?
Tot die opnieuw geboren kinderkens zei Johannes: Als je toch gezondigd hebt, moet je niet wanhopen. Je moet niet aan Gods genade twijfelen. Want ?wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige? (1 Johannes 2:1). Een Voorspraak, dat is iemand die voor een schuldige pleit. Christus is bovendien de Rechtvaardige. Hij Zelf had geen zonde. Zo kan Hij de schuld van schuldigen betalen. De apostel Paulus zei van die Voorspraak: ?Die ook voor ons bidt?? (Romeinen 8:34). De auteur van de Hebreeënbrief schreef: ?Hij kan volkomen zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden? (Hebreeën 7:25).?
?
Christus is ?een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld? (1 Johannes 2:2). Johannes gebruikte voor verzoening een woord dat duidt op: iemand vriendelijk, genadig stemmen. Hij zei niet dat Christus de (ver)losprijs voor alle mensen uit de hele wereld betaalde; dat Hij hen daadwerkelijk allemaal met God verzoende. Maar je moet wel bij Hem zijn om het weer goed te krijgen met de allerhoogste, heilige God. Als je dat door genade mag ervaren, wordt het pas echt een Goede Vrijdag.?
Zaterdag 7 april?
Verzoening voor heidenen; dankzij Joods ongeloof. Romeinen 11:1-15. ?Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden???
?
De apostel Paulus vernam veel nieuws ?goed en kwaad? van de christengemeenten uit verre landen. Paulus? schreef in zijn brief aan Korinthe dat ?mij dagelijks de zorg van alle gemeenten overvalt? (2 Korinthe 11:28). Zo was er onder de christenen in Rome soms sprake van onenigheid. Er waren christenen lid die oorspronkelijk bij de heidenen hoorden, dus afgodendienaars waren geweest. En christenen uit de Joden. Ze hadden een beetje mot af en toe. Over het onderhouden van ceremoniële wetten en de besnijdenis en zo.?
?
Ruzie in Rome. Paulus hoorde er van. Die onenigheid vormde één van de onderwerpen in de brief die hij schreef aan de christenen in die stad. Kort samengevat: ?Hou op om met ruzie maken. De Joodse Messias is er voor Jood én heiden? (Romeinen 10:4,12). Dus een heiden hoeft niet eerst door allerlei ceremoniën en besnijdenis een halve Jood te worden. Je ziet hoe een twist, soms goed gevolg heeft. Wij danken de Romeinenbrief enigermate aan de schermutselingen in de kerk te Rome.?
?
Paulus vertelde dat God Israël niet had verstoten (Romeinen 11:1). Hoewel Israël weigerde in de Messias te geloven (Romeinen 10:21). Dat is erg. En toch! De verharding van de (Romeinen 11:15) bracht genade mee voor de gojim, voor de volkeren, voor heidenen, zoals jij en ik eigenlijk van geboorte zijn. Israëls weigering in de Messias te geloven, ging gepaard met Gods permissie om heidenen verzoening te verkondigen om Jezus? wil (Romeinen 11:12).?
?
Was het toen uit met Gods verbond met Israël? Nee! Die verharding, die verwerping van de Messias, schreef Paulus, duurt niet eindeloos. Als ?de volheid der heidenen zal ingegaan zijn? zullen de vroeger afgebroken takken, Joden, weer ingeënt worden in de olijfboom (Romeinen 11:23-25). Dus wees maar niet al te brutaal tegen de Joden, zei Paulus tegen de christenen uit de heidenen (Romeinen 11:18). God heeft ze absoluut niet voorgoed afgeschreven. Al is het zeker waar dat iedereen ?of hij nou Jood of heiden is? geloof en wedergeboorte nodig heeft.?
?
Wat een wonder! Toen aan aantal Joden voor het paleis van Pilatus stond te schreeuwen: ?Kruis Hem!? opende dat de weg om het Evangelie aan heidenen te gaan preken. En wat een wonder dat er weer Joden tot geloof in de Messias komen! Het is ?leven uit de doden? (Romeinen 11:15). ?
Geplaatst op: 30-03-2012
Bijbelrooster zondag 25 t/m zaterdag 31 maart
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ?Krom en recht?.
Zondag 13 mei Deuteronomium 30 Alleen door Jezus? hemelvaart?
Deuteronomium 30:12: ?Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale.?
Mozes zei, bij zijn afscheid van Israël: Je hoeft de zee niet over te steken om Gods wet te leren kennen. Je hoeft ook niet eerst op te varen naar de hemel, om het gebod daar te halen. Want Gods heilzame wetten en Zijn goede geboden zijn niet alleen maar in de hemel. Ze zijn vlakbij (Deuteronomium 30:12-14). God heeft Zijn wil geopenbaard, afgekondigd en laten beschrijven. ?Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart?, schreef Paulus later (Romeinen 10:6). Dat geldt trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor jou en mij.
Waar dienen Gods wet en Woord voor? Mozes legde een link tussen de wet en bekering. ?Gij zult u bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn, gij zult doen al Zijn geboden.? Het is overigens niet genoeg, als die bekering uitwendig is, aan de oppervlakte zit. Nee, het gaat om ?uw ganse hart en uw ganse ziel?. Kun je dat niet zelf? O, zei Mozes: de HEERE kan het! ?De HEERE uw God zal uw hart besnijden, om de HEERE uw God lief te hebben? (Deuteronomium 30:8,10,6). Is het je ernst? Hij zal je hart reinigen, je schuld vergeven.
Luisterden de Israëlieten naar Mozes? afscheidswoord? Nee. Ze zaten God dwars. Stefanus typeerde hen later als ?hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Mozes sprak over ?ten hemel varen?. Stefanus bleek daarna indirect getuige van een andere hemelvaart: die van de Heere Jezus. Hij zag ?de hemelen geopend, en de zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods? (Handelingen 7:55).
Mozes doelde niet op de hemelvaart van de Heere Jezus, maar op mensen. Zij hoeven niet naar de hemel te varen, te gaan om Gods wil te weten. God kwam door Zijn Woord tot zondaren. ?Al de Schrift is van God ingegeven? (2 Timothéüs 3:16). ?De profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens, de heilige mensen van God, gedreven door de Heilige Geest, hebben ze gesproken? (2 Petrus 1:21). God bestuurde mensen om niet slechts te schrijven over de wet, maar ook over Evangelie.
Alleen echter, omdat die andere hemelvaart plaatshad, die van de zondeloze Jezus, die Gods wet volmaakt en plaatsvervangend hield, kon de boodschap van genade in Gods openbaring, in Zijn Woord, Joden, jou en mij bereiken.
Maandag 14 mei 2 Koningen 2:1-11 Elia?s hemelvaart
2 Koningen 2:11: ?Alzo voer Elia met een onweer ten hemel.?
Koning Jerobeam scheen via twee gouden kalveren de HEERE te willen dienen (1 Koningen 12:28). Koning Achab ging verder. Hij maakte de dienst van de heidense afgod Baäl in Israël tot staatsgodsdienst (1 Koningen 16:31). Toen kondigde de profeet Elia als straf op die afgoderij langdurige droogte aan. Later doodde hij de profeten van Baäl (1 Koningen 17,18). Hij sprak Gods oordeel uit over Achab vanwege de moord op Naboth (1 Koningen 21:21). Dus telkens was er sprake van frontale botsingen tussen Elia en Achab.
Je zou zeggen: Elia was voor niemand bang. En hij vond tijdens de grote droogte een kosthuis bij de weduwvrouw uit de stad Zarfath. Hoewel ze, toen haar zoon stierf, bijna een beetje vijandig leek te worden tegen Elia, noemde ze hem desondanks een ?man van God? (1 Koningen 17:18). Toch kende de gedreven profeet ook moedeloosheid. Achab noemde hem een ?beroerder van Israel? (1 Koningen 18:17), ?mijn vijand? (1 Koningen 21:20). Wat zou jij doen als zo?n heidense koningin als Izebel je met de dood bedreigde? (1 Koningen 19:2).
Elia was Gods profeet, maar tegelijk ook een zondig mens. Toch nam God hem op een heel bijzondere manier weg. Hij stierf niet. Hij werd niet begraven. Er was sprake van een overgang uit het tijdelijke naar het eeuwige, zonder dood. Elia ?voer met een onweer ten hemel?. Met vurige wagens en vurige paarden (2 Koningen 2:11). Werd daarin iets uitgebeeld van de hemelvaart van Christus, die eeuwen later zou plaatshebben? Zeker. Maar er is ook verschil. Elia voer niet, zoals Jezus, ten hemel als Plaatsvervanger, als Wegbereider voor Zijn volk.
Toen Elia ten hemel voer was er sprake van stormachtig onweer. Vaak brandde er een vuur, als God Zich in het Oude Testament openbaarde. Dat gebeurde bij de braambos (Exodus 3:2). Asaf zong: ?Onze God zal komen... een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen? (Psalm 50:3)?. Bij Zacharia ging de verschijning van de HEERE gepaard met bliksem en stormen (Zacharia 9:14). Dat moet tegelijk beklemmend en indrukwekkend zijn geweest.
Maar de adembenemende, angstige drie uur durende dikke duisternis bij de kruisheuvel was volledig opgeklaard, toen Jezus ten hemel voer. Want de Zaligmaker had zijn werk volbracht (Johannes 19:30). Ook voor ?af en toe? moedeloze mensen. Zoals Elia!
Dinsdag 15 mei Psalm 68:8-19 Licht vanuit het Oude Testament op Jezus? hemelvaart.
Psalm 68:19: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte.?
Koning David was de menselijke voorvader van Immanuël, God met ons, Jezus. Wist dichter David van Christus? hemelvaart? Hij zong: ?Gij zijt opgevaren in de hoogte?. En nog meer: ?Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen? (Psalm 68:19). De psalm duidt op het brengen, het ?opvaren? van de ark van het verbond naar Jeruzalem (2 Samuël 6). Ook bezong de Psalm Davids overwinningen, door Gods genade over zijn vijanden behaald.
Je vraagt: ?Waarom legt u dan een link van Davids lofzang naar Christus? hemelvaart?? Blader eens even met mij mee door je Bijbel. In zijn brief aan de christengemeente te Eféze schreef Paulus over Christus? vernedering en hemelvaart. Daarbij haalde hij Davids woorden aan: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven? (Eféze 4:8). Bovendien: het door David gebruikte Hebreeuwse woord ?hoogte? (Psalm 68:19) duidt ook op hemelse hoogte.
Dus al in het Oude Testament valt iets van licht over Christus? hemelvaart. Niet alleen in Psalm 68. Ook Psalm 47 zou je kunnen betrekken op het door David opvoeren, het brengen, het opvaren van de ark naar de berg Sion, Jeruzalem. ?God vaart op met gejuich? (Psalm 47:6). Je komt er diezelfde ?hoogte? tegen. God is hoog verheven (Psalm 47:10). Betreft die psalm misschien toch vooral de heerschappij van de Drie-enige God over de hele aarde en Zijn vijanden (Psalm 47:8,9)? Dan toch vormt zij een voorbeeld van Christus? hemelvaart.
Wist David hoe dat zou gaan? Hij kende Henochs einde. Die ?was niet meer; want God nam hem weg? (Genesis 5:24). Maar Elia was nog niet eens geboren. Wist David van ?vurige wagens en vurige paarden? (2 Koningen 2:11; Psalm 68:18)? Sommige theologen typeren dat als mythologische verhalen. Lang was er in ons Westerse begrip immers geen plaats meer voor iets bovennatuurlijks of voor geesten. Wat je niet kon zien, bestond niet. Maar ze zijn er. Dat bleek, toen de Syrische koning Elisa in Dothan wilde arresteren (2 Koningen 6:17).
Al in het Oude Testament valt licht op Christus? hemelvaart. Zeg, David, zou dat nou echt mogelijk zijn? ?Jazeker. Want geloven is geen wiskunde. Geloven is dat alle dingen mogelijk zijn bij God. Dingen die bij mensen onmogelijk zijn.?
Woensdag 16 mei Johannes 20:1-18 Maria als boodschapper van Jezus? hemelvaart.
Johannes 20:17: ?Ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.?
Maria Magdalena had onzegbaar veel verdriet. Mogelijk had ze een oneerbaar en goddeloos leven geleid. Maar de Heere Jezus verloste haar van zeven boze geesten (Markus 16:9). Hij schonk haar uit genade een nieuw leven. Ze kreeg Hem rein en oprecht lief. Maar nu was Hij dood! Maria stond huilend bij het graf (Johannes 20:10,11). Ze kon Hem niet missen. Zonder Hem was het leven leeg. Toen openbaarde Hij Zich aan haar als de Levende (Johannes 20:15).
Jezus zou naar de hemel gaan (Johannes 20:17). Maria moest die boodschap overbrengen aan de discipelen. Jezus sprak over broeders. Zij hadden Hem lelijk in de steek gelaten. Zijn discipelen waren desondanks niet meer alleen maar vrienden (Lukas 12:4; Johannes 15:14), maar broeders. Zijn liefde tot hen bleek niet verminderd of verkild. Jezus had God regelmatig ?Mijn Vader? genoemd (Matthéüs 10:32; Lukas 10:22). Juist door die hemelvaart zou God nu ook Vader zijn van de discipelen.
?Ik vaar op??. Opvaren is van lager naar hoger gaan. Zo kom je op een berg (Matthéüs 5:1). Zo klim je uit het water (Handelingen 8:39), of op het dak (Lukas 5:19). Zo ging je op in de tempel (Lukas 18:10) en naar het loofhuttenfeest (Johannes 7:8). Zo zou Jezus opvaren naar het hemelse feest. Jazeker. Want ?voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen, en schande veracht? (Hebreeën 12:2).
Maria werd boodschapper. De Zaligmaker legitimeerde niet dat een vrouw dominee wordt. Maar Hij stimuleerde stellig dat jij en ik elkaar het goede nieuws vertellen. Welk nieuws? Vraag maar aan Maria.
?Hij leerde mij m?n slechte eigen ik kennen. En allerlei ander kwaad. Hij zei: Geef Mij uw hart. Maar ik ontdekte dat ik dat de duivel en de zonde in mij dat niet wilden. Toen Hij het nam, ontdekte ik wie Hij is. Ik kreeg Hem onzegbaar lief. Die liefde maakte dat ik nooit meer kwaad wilde doen. Ik leerde alle dingen buiten Christus kennen als waardeloos (Filippensen 3:8). Maar toen raakte ik Hem kwijt. Er bleef slechts dood over. Totdat Hij Mij opnieuw ontmoette. Hij hing voor mij aan het kruis. Hij overwon mijn dood. En Hij ging naar Zijn en mijn Vader om daar voor mij te zorgen, zolang ik nog op aarde ben.?
Kun jij ook zo?n boodschapper zijn?
Donderdag 17 mei Lukas 24:35-53 Gescheiden, maar niet verlaten!
Lukas 24:51: ?En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel?.
Hemelvaart? Je zegt: ?Maar dat tart de wetten van de zwaartekracht. Als u mij zou vertellen dat iemand op die manier de maan zou verlaten, zou ik dat misschien geloven. Het gewicht van iets op de maan is slechts een zesde van het gewicht op aarde. Maar Jezus hemelvaart? Onmogelijk!? Nou, ik zeg ook niet dat je het begrijpen kunt. Maar het christelijk geloof is geen wiskunde. Alle dingen zij mogelijk bij God. Ook de hemelvaart van Christus.
De Zaligmaker riep uit: ?Het is volbracht.? Dus jij, ik, zondaren (Genesis 2:17) kunnen vrede met God ontvangen (Romeinen 5:1). Jezus stond op uit de dood. En later schreef Lukas dat Hij ?werd opgenomen in de hemel? (Lukas 24:51). Dus God nam Jezus op. Hij was immers tevreden met de losprijs, het offer van Zijn Zoon (Romeinen 5:10). Paulus schreef echter dat Jezus is opgevaren (Eféze 4:10). Dus dat deed Hij in eigen kracht. Aan de overwinnende Zaligmaker was immers alle macht gegeven, in hemel en op aarde (Matthéüs 28:18).
De Bijbel spreekt op twee manieren over de hemel. Uit de hemel komt regen (Genesis 8:2), hagel (Jozua 10:11) en manna (Psalm 105:40). Maar de Bijbel vestigt niet alleen aandacht op de hemel als iets dat geschapen is. De hemel is ook de ruimte waar God woont. Eigenlijk is dat woord ruimte te menselijk. Te tastbaar. God valt niet te begrijpen of in te sluiten. Hij vervult de hemel en de aarde (Jeremia 13:24). De Heere Jezus ging naar die hemel waar God woont. Paulus schreef immers dat Hij is ?opgevaren verre boven al de hemelen? (Eféze 4:10).
Dus de Heere Jezus liet Zijn discipelen in de steek? Juist niet! Die opneming vormde niet het einde van het contact. Als mens was Jezus niet meer op aarde. Maar met Zijn goddelijke majesteit, Zijn genade en Zijn Geest zorgt, leidt, regeert Hij Zijn kerk (Matthéüs 28:20). Was Hij op die manier alleen bij Zijn discipelen? Nee. Hij is de Voorspreker bij Zijn Vader voor iedere echte gelovige (1 Johannes 2:1). Het feit dat Hij in de hemel is, vormt een waarborg voor hen dat ze ook ooit en voor eeuwig bij Hem mogen wonen (Eféze 2:6).
Wees eerlijk: Ben jij er zo een? Of val je er buiten? Die vraag is van levensbelang.
Vrijdag 18 mei Efeze 4:1-8 Om gevangenen vrijheid uit te roepen.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen?.?
Misschien zegt het je bar weinig. Jezus is geen levende werkelijkheid voor je. Je hebt genoeg aan je dagelijkse business en bezigheid. Je hebt Hem nooit ontmoet. Zoals Petrus (Johannes 21:17). Of zoals Maria Magdalena (Markus 16:9). De Emmaüsgangers (Lukas 24:31). Paulus (Galaten 1:16). De simpele, mondelinge boodschap, of schriftelijke mededeling dat Hij is opgestaan raakt je niet. Die gaat het ene oor in en het ander oor uit. Of ben jij niet geestelijk doof en blind? (Jesaja 42:18). Toch is er hoop. Want Christus heeft de gevangenis gevangen genomen (Eféze 4:8).
God zei: Wie verboden vrucht eet, moet sterven (Genesis 2:17). Vind je het geen wonder dat de Heere Jezus tóch naar de aarde kwam. Hij ging lijden en sterven. Hij gaf Zichzelf als schuldoffer. Híj onderging de doodstraf die Zijn volk had verdiend (Jesaja 53:10). Hij betaalde hun losprijs. Met Zijn leven. Toen Hij dat volbracht had, stond Hij op uit de dood. Hij voer op in de hoogte (Eféze 4:8,10). Hij zit aan de rechterhand van God (Romeinen 8:34). Vanuit die prachtige positie haalt Hij nog altijd en telkens oude en jonge mensen uit hun geestelijke gevangenis. Hij brengt ze tot geloof (Jesaja 53:10).
De Zaligmaker nam de gevangenis gevangen (Eféze 4:8). Van menselijke vijanden, maakt Jezus vrienden. De zonde, het sterfelijke en het verderf houden hen gevangen (1 Korinthe 15:54). En de duivel, die het geweld des doods had (Hebreeën 2:14). Maar Christus overwon dood en duivel. Nu heeft Hij de sleutel van het dodenrijk, van de tijdelijke, de eeuwige en de geestelijke dood (Openbaring 1:18). Dus er is nog hoop! Zelfs als jij ?eerlijk gezegd? liever naar de kroeg gaat dan naar de kerk. Ook als je het geloof spuugzat ben. Zie je echt in dat het anders moet? De Zaligmaker leeft! Meld je biddend bij Hem.
Christus heeft de gevangenis gevangen genomen. Hij is ?opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde? (1 Petrus 3:22). Hij kwam om ?gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis? (Jesaja 61:1). Vind je niet dat het tijd wordt om Hem te vragen dat ook in jouw leven te doen? Je wordt er alleen maar beter van. En Zijn dienst is een liefdedienst. Zou je er geen zin in krijgen?
Zaterdag 19 mei Efeze 4:8-16 Om mensen gaven te geven.
Eféze 4:8: ?Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij? de mensen gaven gegeven.?
Heb jij een aartsvijand? Iemand die je dwars zit. Je weet dat hij je niet kan luchten of zien. Je piekert er niet over zo iemand je laatste rooie cent te geven! En als je hem in levensgevaar ziet? In water of vuur? Stel je dan je eigen leven voor hem in de waagschaal? Zelfs voor je beste vriend, voor een goed mens, doe je dat ternauwernood, schreef Paulus (Romeinen 5:7). Maar hij voegde er iets wonderlijks bij: ?Christus is voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.? Vijanden! Hij neemt zulke zondaars, vijanden, gevangen, geeft hen nota bene nieuw leven. Hij is opgevaren in de hoogte en heeft mensen gaven gegeven (Eféze 4:8).
Wat zijn dat voor gaven? Ambtsdragers. In de kerk. Paulus schreef: ?Dezelve heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leraars? (Eféze 4:11). De Heere Jezus Christus wil de vrucht van Zijn lijden en sterven, Zijn heilswerk, uitdelen, toe-eigenen aan zondaren. Door Zijn Woord en Heilige Geest en in de weg van de ambtelijke dienst. Veel christenen denken dat het kerkelijk ambt een soort verlengstuk is van het zogenoemde ambt aller gelovigen. Maar het kerkelijk ambt is ?om zo te zeggen? een geschenk ?van boven?.
Er valt meer te zeggen over die gaven. Als iemand eet en drinkt, het goede geniet bij al zijn zwoegen, is dat een gave van God (Prediker 3:13). Maar de persoon in kwestie werkte er hard voor. Paulus heeft echter het oog op genadegaven. Die heb je niet verdiend. Maar juist verzondigd. De ten hemel gevaren Zaligmaker maakt mensen levend die geestelijk dood waren ?door de misdaden en de zonden? (Eféze 2:1). Zo doet Hij een zondaar opnieuw geboren worden (Titus 3:5). Hij schenkt ?ook dat gaat over individuele personen? vergeving van zonden (Romeinen 5:17). Hij werkt een waar geloof (Eféze 2:8). En nog veel meer!
Eigenlijk is de Heere Jezus Zelf Gods gave voor mensen, verloren in schuld (Johannes 4:10). De Zaligmaker, de grote Gave, beloofde Zijn leerlingen de Heilige Geest (Johannes 14:26). Als Leermeester. Die Geest overtuigt nog altijd mensen van zonde, van oordeel. Die Geest doet een zondaar ook Christus kennen (Johannes 16:8,14). Heb jij al iets van die gaven van de ten hemel gevaren Zaligmaker gekregen?
Zondag 6 mei
Laat je niet verleiden door blinde (ver)leiders! Jesaja 56 vers 9 tot en met 12: ?Hun wachters zijn allen blind.? (vers 10)
Een parkeerwachter controleert of je de auto volgens de regels parkeert. Als je dat niet doet, geeft hij je een bekeuring. Een parketwachter is een politieagent die dienst doet bij rechtszittingen. Zulke wachters moeten hun ogen oplettend open houden, uitkijken. Dat was ook de taak van door de Bijbel genoemde wachters. Een wachter waakte op de stadsmuur (2 Koningen 9:17). Of hij hield ?s nachts de boel op straat in de gaten (Hooglied 3:3). Hij bewaakte de gevangenis (Handelingen 5:23). Het graf van Jezus (Matthéüs 27:65). De wachter lette als hoeder ook op de kudde (1 Samuël 17:20).
Jesaja bedoelde een bijzondere kudde: het volk Israël. Hij sprak over hun herders (Jesaja 56:11): priesters, regenten. Zij behoorden als wachters (Jesaja 56:10) de kudde te bewaken. Ze moesten het volk waarschuwen. Omdat God de volkszonden niet ongestraft zou laten. Maar de wachters leefden zelf in zonde. ?Van de profeet aan tot de priester toe bedrijft ieder valsheid? (Jeremia 6:13). De wachters waren uit op winst en sterke drank (Jesaja 56:11,12). De profeet vergeleek ze met de honden, die zich op oosterse slachtplaatsen tegoed deden aan vuil en afval. Vadsige, slaperige beesten. Blind. Stom.
Dus de priesters en regenten voeren in Israël hun eigenzinnige, zondige koers. Je zegt: ?Dat is natuurlijk erg, maar dat was toen.? Wacht even! Anno 2012 heb je het dan over christelijke en politieke leiders. En over ambtsdragers in de breedte van de kerken. Mozes schreef ooit: ?Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dwalen!? (Deuteronomium 27:18). Dus het loopt met zo?n blinde leider slecht af. Maar de Heere Jezus noemde ook de schriftgeleerden en de farizeeën blind (Matthéüs 23:16). Dat had concreet betrekking op de kerk van Zijn tijd. En je maakt mij niks wijs! Er zit net zo goed een boodschap in voor de actuele situatie.
?O ja?, zeg je: ?U bedoelt natuurlijk: een afwijzing van oosterse en westers sekten.? Ja. Maar ook mensen die zich daar graag van distantiëren. Zij zeggen het goede te beogen voor alle mensen. De profeet Jeremia kende hen al. Hij waarschuwde tegen mensen die ?de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtst genezen, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede? (Jeremia 6:14). Leef nauwgezet bij Gods Woord! En laat je niet verleiden door blinde wachters.
Maandag 7 mei
Bedrieg jezelf niet! Openbaring 3 vers 14 tot en met 22: ?Gij zegt: Ik ben rijk? en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.? (vers 17)
Ze waren echt rijk. Dat valt zelfs anno 2012 in de eenzame ruïne van het Turkse Laodicéa nog te zien. Marmer moet een veel gebruikt bouwmateriaal zijn geweest. De stad exporteerde geneesmiddelen. Beroemde artsen specialiseerden zich in oor- en oogziekten. Johannes sloot aan bij die context (Openbaring 3:18). Las iemand Johannes? brief voor? Of schudden kerkenraadsleden het hoofd? Zeiden ze, ?wijs?: ?Dat kun je toch niet presenteren aan de gemeente? Zo hard! Heus! Het gaat ons om het welzijn van de gemeente.?
Waar komt het op aan in het christelijk leven? Op het kennen en belijden van je zonde (Jeremia 3:13). Op het erkennen, gewillig, uit liefde dienen van de God van je ouders (1 Kronieken 28:9). Op het: ?Ken Hem in al uw wegen, Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Het is een voorrecht rijkdom als schade en vuilnis te mogen beschouwen ?om de uitnemendheid van de kennis van Christus? (Filippensen 3:8). Misschien zeiden ze dat ook nog wel tegen elkaar in Laodicéa. Mogelijk koesterden zij de rechte leer. Maar de ootmoedige, verwondering, dat van jezelf niets hebben, dat ontbrak. Ze waren zelfvoldaan.
Christenen in Laodicéa hadden het maatschappelijk goed. Valt zoiets trouwens ook over jou en mij niet te zeggen? Ik wil de economische crisis serieus nemen. Mensen moeten touwtjes aan elkaar knopen en dubbeltjes omkeren. Je draagt je jas een beetje langer dan vroeger. Maar er is toch nog eten? Een oude fiets? Er staan bovendien mooie kerken in het dorp. De gemeente evangeliseert. Zelfs dan kun je toch nog in geestelijk opzicht arm zijn. Terwijl je het zelfgenoegzaam, zelfvoldaan, niet in de gaten hebt. Ook in Laodicéa waren ze er blind voor.
De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Wie zijn broeder haat leeft ook in de duisternis (1 Johannes 2:11). Maar in Laodicéa was het eigenlijk nog veel erger. Ze waanden zichzelf uiterst gelovig. Rijk. Johannes gebruikte een opeenhoping van woorden om hen ermee te confronteren dat ze zichzelf bedrogen. Kennelijk is dat mogelijk?
Wacht je voor zelfbedrog! Waar woon jij? En ik? In Filadelfia? Waar de gemeente Gods Woord bewaarde en de Naam van Christus niet verloochende? (Openbaring 3:8). Of, blind, in Laodicéa?
Dinsdag 8 mei
De lijdende Knecht kan de falende knecht redden. Jesaja 42 vers 17 tot en met 25: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (vers 19)
Een knecht heeft een heer. Zo noemt de Bijbel Mozes (Exodus 14:31), Job (Job 1:8), David (2 Samuël 3:18) allen als knecht van God. De profeet Jesaja brengt ook diverse knechten van de HEERE ter sprake. Het gaat om drie categorieën. Bij de individuele personen heet Jesaja zelf ?Mijn knecht? (Jesaja 20:3; 43:10). Ook Eljakim, de hofmeester van koning Hizkia (2 Koningen 18:18) ontving die naam (Jesaja 22:20). De profeet typeerde tevens het volk Israël als Gods knecht (Jesaja 41:8,9; 44:1,21; 48:20). Maar toen het volk Israël faalde in het dienen van God, nam de lijdende Knecht, de Heere Jezus, dat over (Jesaja 42:1-9; 49:6; 52:13; 53:11).
Over welke knecht gaat het in de woorden: ?Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?? (Jesaja 42:19)? Jesaja was op niet blind. De Heere Jezus evenmin. De profeet klaagde het volk Israël aan. Zij hadden Gods Woord! De door elke Israëliet of man van Juda in ere gehouden en hooggeachte koning David zong ervan: ?Uw woord is een lamp voor mijn voet? (Psalm 119:105). Hij bad: ?Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!? (Psalm 4:7). Jesaja zei: ?Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien? (Jesaja 9:1). Maar het volk Israël sloot welbewust de ogen voor dat licht.
Waarom typeert Jesaja dat ongehoorzame volk dan als ?de volmaakte?? Hij bedoelt: de HEERE bewees Israël zoveel grote geestelijke en materiële weldaden. Het heeft dat volk aan niets ontbroken. Dan zou het toch behoren te erkennen dat God het goede met hen voorhad. Maar dat doet het niet! Het sluit de ogen voor Gods weldaden. Ogenschijnlijk doet het de oren open (Jesaja 42:20). Maar gaat hun niet ter harte wat zij zien en horen. Zij handelen er niet naar.
Gloort er misschien een glimp van herkenning in je denken? Ken je jezelf ook als iemand die zo schuldig slecht naar God luistert? En die zo zondig moedwillig de ogen sluit voor het licht van het Evangelie? Luister! Jesaja brengt ook die andere Knecht ter sprake! Hij kwam ?om te openen de blinde ogen, om uit te voeren uit de gevangenis, die in duisternis zitten? (Jesaja 42:7). Hij leidt blinden door de weg, die zij niet wisten (Jesaja 42:16). Dat is een onbegrijpelijk wonder!
Woensdag 9 mei
De duivel maakt een mens blind; verzet je tegen hem. Mattheus 12 vers 22 tot en met 32: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was.? (vers 22)
Israëlieten moesten goed voor blinde medemensen zorgen. Mozes schreef: ?Gij zult voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten? (Leviticus 19:14). Zet zo?n blinde niks in de weg, waardoor hij zich pijnlijk zou kunnen stoten of vallen. De Levieten moesten het volk voorhouden, dat de persoon die een blinde onderweg niet helpt, of de weg wijst en laat verdwalen, vervloekt is (Deuteronomium 27:18). Kenmerkend voor een oprecht, vroom, godvrezend man (Job 1:1) was dat hij ?de blinden tot ogen? was (Job 29:15).
De Heere Jezus deed meer. Zijn volgelingen brachten iemand bij Hem die blind en stom was, Hij genas hem (Matthéüs 12:22). Het bleef trouwens niet bij dat ene wonder. De Zaligmaker genas een blinde in Bethsaïda (Markus 8:25). In Jericho maakte hij de blinde bedelaar Bar-timéüs beter (Markus 10:52). De huidige cultuur in Midden-Oosten biedt eigenlijk geen plaats voor mensen met een lichamelijke beperking. Maar als er blinden bij jou in de buurt wonen: neem dan de boodschap van Mozes en het voorbeeld van Job ter harte. En nog een vraag: Bid je voor zo?n blinde?
Jezus genas een blinde. Maar hoe kwam het eigenlijk dat die patiënt blind was? Hij was van de duivel bezeten! Het is opmerkelijk dat evangelist Matthéüs die beide dingen vermeldt: ?een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22). Toen Paulus en Barnabas het later op Cyprus aan de stok kregen met Elymas, de tovenaar, schreef Lukas: ?De hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). En toen de Heere Jezus een andere blinde genas, was er sprake van iemand die niet zag, opdat Gods werk in zijn leven zou blijken (Johannes 9:3). Dus ziekte en blindheid heeft een verschillende oorsprong.
En nog iets: de ene blindheid is de andere niet. Beperkt de duivel zich tot het letterlijk, lichamelijk blind of doof maken van mensen? O nee! Hij schept er vooral plezier in om mensen geestelijk blind te maken en te houden. De ?god van deze eeuw? ziet kans de zintuigen van ongelovigen te verblinden. Het licht van het Evangelie dringt niet tot hen door (2 Korinthe 4:4). Maar de duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart. Verzet je tegen hem (1 Petrus 5:8,9).
Donderdag 10 mei
De Heere maakte Elymas blind; pas op voor verleiders. Handelingen 13 vers 4 tot en met 12: ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn.? (vers 11)
Paulus en Barnabas waren pas uit Antiochië vertrokken. De christengemeente ter plekke had ze net uitgezonden (Handelingen 13:2). Ze hadden niet voor zendeling geleerd, zoals dat tegenwoordig eerst moet. Maar ze waren wel doorkneed in de Joods-religieuze litteratuur. Paulus was immers van huis uit een farizeeër (Handelingen 23:6). Het meest belangrijke was dat ze vol waren van Christus en de Heilige Geest. Toen Paulus net bekeerd was, begon hij direct te preken in de synagoge van Damaskus (Handelingen 9:20).
Telkens bezocht Paulus tijdens z?n zendingsreizen trouwens de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10). Te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Hij legde uit hoe de profetieën waren vervuld in Jezus van Nazareth. Zo begon het al op Cyprus. Paulus en Barnabas ?verkondigden het woord Gods in de synagogen der Joden? (Handelingen 13:5). Toen ontmoetten ze een Jood met een typische naam: Bar-Jezus, de zoon van Jezus. De naam Jezus kwam meer voor. Maar opmerkelijk is dat dezelfde man nog een andere naam had: Elymas (Handelingen 13:8): tovenaar, wijze, magiër. Die combinatie heeft iets duisters.
De ontmoeting leverde een keiharde confrontatie op. De oplichter begon de apostelen lelijk tegen te werken. Toen schoot Paulus stevig uit z?n slof. Hij noemde de tovenaar een ?kind des duivels? (Handelingen 13:10). ?En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn? (Handelingen 13:11). Overigens sprak Paulus eenvoudig Jezus na. Die zei tegen de vijandige Joden ook: ?Gij zijt uit de vader de duivel?(Johannes 8:44).
Misschien zeg je: ?Aardig verhaal hoor, over Elymas. Maar dat was toen. Nu heb je zulke mensen niet meer.? Is dat zo? Lopen er vandaag niet ook van zulke mensen rond in en buiten de kerk? Mensen met een vrome smoes, die willen dat je niet wettisch bent. ?Want Jezus heeft de wet vervuld. Dus die geldt niet meer voor ons.? Mensen die je vertellen dat er in alle godsdiensten eigenlijk wel iets goeds zit. Dus dat wij niet alleen de waarheid hebben.
De apostel Johannes verzette zich al tegen zulke kletsmeiers. ?Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.? Daar mag je anno 2012 trouwens onze prachtige belijdenisgeschriften bij gebruiken. Ken je ze? Lees je ze? Gebruik je ze?
Vrijdag 11 mei
Blindheid komt niet van God of de duivel. Exodus 4 vers 1 tot en met 12: ?De HEERE zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?? (vers 11)
?Het is toch duidelijk? De Bijbel zegt: de HEERE ?heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? (Exodus 4:11)! Je leest zoiets ook over Elymas, de tovenaar (Handelingen 13:11). Dus God maakt mensen ziek en blind en ongelukkig!? Nee! Dat is helemaal niet zo duidelijk. Vergeet het maar.
Wat was er aan de hand? Mozes durfde niet terug uit Midian om de Egyptische farao in Gods Naam op z?n nummer te zetten. Hij zocht uitvluchten. Hij zei: Ik ben nou eenmaal niet zo?n prater (Exodus 4:10). Toen vroeg God: ?Wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt?? (Exodus 4:11). Het antwoord, ?ben Ik het niet, de HEERE?? was opnieuw geen statement, maar een vraag. Gods antwoord getuigt niet van Zijn kwade bedoeling met mensen, maar van Zijn almacht. Dus Mozes, beroep je niet op onmacht.
De HEERE zei helemaal niet zonder meer: Ik maak mensen stom en doof en blind. Want God is immers niet Degene die kwalen en kwaad veroorzaakt. Hij staat toe dat Zijn kinderen ziek worden. Als Hij het nodig vindt hen te tuchtigen. Hij doet het als slecht ervarene voor hen meewerken ten goede (Romeinen 8:28). Hij straft andere mensen om hun zonden (Ezechiël 18:4). God is de Almachtige (Psalm 99:1,2). Maar Hij is niet de eerste oorzaak achter alle blindheid, doofheid, of sprakeloosheid. De Heere Jezus was juist de meest uitnemende Arts.
?O?, zeg je: ?Dan is de duivel zeker oorzaak van ziekte? De evangelist schreef immers: ?Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, die blind en stom was? (Matthéüs 12:22).? De satan kan inderdaad invloed uitoefenen op ziekte. Kijk maar naar Job. Maar de duivel was God niet de baas (Job 2:6). Ook aan de satan valt niet per definitie en zonder meer toe te schrijven dat hij alle ziekte veroorzaakt.
Waar komen blindheid, doofheid en stomheid dan vandaan? Bij de mens. Je kunt niet elke zieke altijd een speciale zonde ten laste leggen als oorzaak van zijn kwaal. Soms wel. Farao liet Israël niet gaan. Daarom nam God zijn eerstgeboren zoon weg (Exodus 11:5). Maar niet altijd (Johannes 9:1). Ziekte is in de wereld vanwege onze zonden. God zei: Als je van de verboden vrucht eet, zul je sterven (Genesis 2:17). Daar komt ziekte vandaan.
Zaterdag 12 mei
Blind tot eer van God? Johannes 9 vers 1 tot en met 17: ?Voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af?. Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.? (vers 1)
Je zou raar kijken als jouw huisarts de Heere Jezus nadeed. Die spuwde op de aarde, maakte een beetje modder en streek het op de ogen van een blinde. ?Ga je nu maar wassen in het badwater Silóam?, zei Hij. Toen kon de man weer zien (Johannes 9:6,7). Je zegt: ?Gelukkig gebruikt mijn dokter niet zulke onhygiënische medicijnen. Je zou er eerder blind van worden, dan genezen.? Inderdaad. Dat slijk was ook geen geneesmiddel, maar een teken. Dat smerige slijk vestigde alle aandacht op het feit dat Jezus Zelf het Licht der wereld is (Johannes 9:5).
De vragen brandden los. In de antieke wereld heerste de gedachte dat een zieke persoonlijk iets bijzonders op z?n geweten had. Of dat kinderen moesten lijden onder de zonden van ouders. Is dat dan niet zo? God zegt Zelf dat Hij de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, zelfs ?aan het derde, en aan het vierde lid van degenen, die Mij haten? (Exodus 20:5)? Wacht even! God wil dat kinderen van zondigende ouders zich bekeren. Dan is Hij hen genadig. Absoluut. Hij is rechtvaardig. Hij zadelt een mens niet op met de straf over andermans zonde. ?De ziel die zondigt die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
De Heere Jezus zei: ?Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.? Bedoelde Jezus dat die blinde en z?n ouders nooit zondigden? Natuurlijk niet. Hij zei dat zij niet vielen te betichten van een bijzondere, persoonlijke zonde. De Heere zei: Ik doe dit wonder ?opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden? (Johannes 9:3). Ja, want God gaf een Middelaar van wie de profeet schreef: ?Hij heeft onze krankheden op Zich genomen? (Jesaja 53:4). En toen deze Arts de blinde ging genezen, kreeg God de eer! Dat is wat! Blind tot eer van God!
Een man lag in het ziekenhuis. De pijn werd hevig, beangstigend. In zijn gedachte viel het licht op Jezus in Zijn onschuldig lijden. Die bad: ?Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede? (Lukas 22:42). Toen bleef bij de patiënt nog alleen verwondering over. Vanwege Jezus? gewilligheid om voor hem, een vijand van God, de straf te dragen. God kreeg de eer. En die blinde? Hij zei: Jezus is een Profeet. Hij geloofde in de Zoon van God. Hij gaf God de eer (Johannes 9:24,27,38).
Zondag 29 april
Je hart geven is niet iets oppervlakkigs. Spreuken 23 vers 19 tot 26 ?Mijn zoon! Geef Mij uw hart.?
Wie wil jouw hart hebben? De opperste Wijsheid! (Spreuken 2:20). Wie is dat? In het bijzonder de Heere Jezus. Van Hem geldt: ?Ik ben het Verstand, van Mij is de sterkte, door Mij regeren de koningen? (Spreuken 8:14-17). De typering opperste Wijsheid duidt op de Zaligmaker.
Hij vraagt je hart. Gaat het daarbij alleen om de biologische betekenis? Om het lichamelijk orgaan, de hartspier? Natuurlijk niet. Het hart is in de Bijbel de zetel van alle gevoelens en emoties. In het hart concentreert zich de persoonlijke omgang met en de liefde tot God (Jozua 22:5). In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het hart is in het Oude Testament de zetel van de geestelijke vermogens.
God wil jouw en mijn hart hebben. Wil dat zeggen dat wij God tevreden kunnen stellen met een oppervlakkige keus voor Jezus? Om dan vast te vertrouwen dat we straks bij de dood naar de hemel mogen? Nee. Die vraag ?Geef Mij uw hart? gaat veel dieper! De Bijbel vertelt dat het menselijke hart verduisterd (Romeinen 1:21) en voor God gesloten is (Openbaring 3:20). Dus dat ?geef Mij uw hart? betekent eerst: het hart moet open!
Misschien zag jij ooit hoe onmogelijk dat is. Omdat je besefte dat je diep van binnen eigenlijk de zonde lief hebt. Je bad: ?Heere, hoe moet dat? Aan de ene kant wil ik mijn hart graag geven. Maar aan de andere kant zie ik, hoe slecht en schuldig het is. U kunt nooit meer iets met mij te maken hebben. Ik moet als een schuldige sterven.?
Was het zó erg? Weet dan, dat God juist het hart van zulke mensen wil hebben. Wat een heerlijk ogenblik als de Heilige Geest je ogen er voor opent dat zulk bidden, zulke gedachten juist aantonen dat God je hart al heeft genomen! Hij was de Eerste.
Wat krijg je dan die opperste Wijsheid lief! Is er een liefelijker Naam, dan de Naam van Jezus? Paulus had Hem leren kennen. Hij schreef: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere? (Filippensen 3:8). Hij leerde zijn liefde, zijn tijd, zijn begeerten aan God te geven. In ruil voor de liefde van Christus?
Maandag 30 april
Hoor je bij Stefanus of bij de onbesnedenen van hart? Handelingen 7 vers 41 tot 53 ?Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest.?
Zou jij dat durven? Net als Stefanus? Hij stond tegenover het hoogste Joodse, religieuze gerechtshof, het Sanhedrin. Dat bestond uit 71 leden, priesters en leken. De hogepriester fungeerde als voorzitter. Het Sanhedrin kon de een of andere zware straf opleggen.
En wat deed nota bene diaken Stefanus? Hij brandmerkte die rechters als ?onbesnedenen van hart en oren? (Handelingen 7:51). Hij nagelde ze aan de schandpaal door hun verzet tegen de Heilige Geest en de prediking van het Woord van de levende Christus aan de kaak te stellen.
Stefanus kende de Bijbel uitstekend. Hij typeerde de Joden als hardnekkig. Daarmee stond hij niet alleen in de traditie van Mozes. God Zelf noemde het zich tegen Hem kerende Israël al lang geleden zo (Exodus 33:5). Ook toen Stefanus tegen de gewichtige leden van het Sanhedrin zei: Jullie zijn ?onbesneden van hart en oren?, sloot hij aan bij het Oude Testament. De HEERE Zelf sprak al over het onbesneden hart van de zich onboetvaardig gedragende en aan de zonde vasthoudende Israëlieten (Leviticus 26:41). En door de mond van Jeremia hekelde God het onbesneden oren van Israël (Jeremia 6:10).
?Onbesneden van hart en oren?: Wat betekent dat? De besnijdenis was voor Israël een religieus ritueel, teken van Gods verbond (Genesis 17:10-14). De daarvoor opgeleide Joodse moheel snijdt in de besnijdenis de huidplooi weg die het uiteinde van het mannelijk geslachtsdeel bedekt. Nu zei Stefanus tegen de Joodse religieuze hoogwaardigheidsbekleders: Jullie gaan wel prat op Gods verbond; en op je besnijdenis. Maar het spreken van God dringt niet door tot jullie hart en oren! Zij zijn bedekt. Daar zit de voorhuid als het ware nog om.
Stefanus begon zijn preek voor het Sanhedrin erg vriendelijk: ?Gij mannen broeders en vaders, hoort toe? (Handelingen 7:2). Werd hij nu aan het slot van zijn toespraak hatelijk? Keerde hij zich gefrustreerd en gestresst tegen het gerechtshof? Nee. Hij deed met dat ?gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren? als het ware een laatste appèl op hun geweten. Hij confronteerde hen met hun zonden. Gedrongen door de liefde van Christus (2 Korinthe 5:14). Dat accepteerden zij niet.
Hoor jij bij de onbesnedenen van hart? Dan kun je je eigen ik nog een poosje handhaven. Maar als je bij Stefanus hoort, kom je tot belijdenis van zonden. En tot Christus.
Dinsdag 1 mei
Schreef God Zijn wet in jouw hart? Jeremia 31 vers 27 tot 34 ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven??
Juda had God verlaten. Het was weggevoerd in de Babylonische ballingschap. Maar Jeremia profeteerde van de komende verlossing. ?Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden? (Jeremia 31:2). En God ging een nieuw verbond maken (Jeremia 31:31). Door Zijn Knecht. De komende Messias. Jezus Christus. God gaf Hem tot ?een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen? (Jesaja 43:6). De HEERE zou Zijn wet geven in het binnenste van het volk van dat nieuwe verbond. Hij zou die ?in hun hart schrijven? (Jeremia 31:33).
?Prachtig!? zegt iemand. ?Dat is pas echt genade!? Wacht even. Ik kan jou tienduizend euro beloven. Maar zo?n belofte heeft een adres. Want ik beloof ze aan jou. En niet aan je buurman. Bovendien: als ik jou tienduizend euro beloof, heb je dat geld dan al in bezit? Ik moet het je toch eerst nog geven? Heel concreet. Tastbaar. De les? Dat ?Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven? is een prachtige belofte. Maar de vraag is hoe die belofte werkelijkheid wordt. Dat vraagt bidden en bedelen of God die belofte wil vervullen in jouw en mijn leven.
Jeremia gebruikte een beeld. Voor de ballingschap lagen er twee grote stenen in de ark van het verbond in de tempel. God gaf ze bij de Sinaï aan Mozes. De HEERE schreef er Zijn wet op (Deuteronomium 10:2-5). Israël overtrad in latere eeuwen voortdurend die wet. Het volk lapte haar telkens aan z?n laars. Het zondigde tegen een goeddoend God (Psalm 78:8). Nu beloofde de HEERE die wet in hun binnenste te geven, in hun hart te schrijven. Als dat gebeurt in je leven, krijg je God en Zijn wet lief (Psalm 119:35). Je kunt er dan niet meer om heen.
Wie doet dat? God. Hij zei: Ik zal! Hoe doet Hij dat? De Zaligmaker zei: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). Paulus schreef aan de christenen te Kolosse over een besnijdenis zonder handen, ?in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses? (Kolossenzen 2:11). Die besnijdenis duidt op de reiniging van je hele bestaan, op afschuw van wat God verdriet doet. Als die wet in je hart geschreven wordt, krijg je God en Zijn wet zo lief, dat je nooit meer wilt zondigen.
Woensdag 2 mei
Is je hart van steen? Of heb je een vlezen hart? {Ezechiël 36 vers 22 tot 27#www.statenvertaling.net/bijbel/ezec/36.html} ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.?
Ging jouw predikant ooit op een leeg kerkhof tegen grafstenen staan preken? Natuurlijk niet. Stenen kunnen niet luisteren. Steen is dode materie. Hard. Zo is het met je hart als je God niet lief hebt. Steen kan zelfs keihard zijn. Je luistert naar een preek. Het doet je helemaal niks. Je hebt er geen enkel gevoel bij. Als de Bijbel het hart typeert als hard, wijst dat niet alleen op je onmacht, maar vooral ook op je onwil om naar God te luisteren. Eens?
Soms duidt het woord hart in de Bijbel op levenskracht. Abraham zei tegen zijn bezoekers: ?Ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt? (Genesis 18:5). Maar toen de profeet zei: ?Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen? (Ezechiël 36:26) doelde hij op het hart als de zetel van je wil, je begeerten, je kracht. Een stenen hart, dat is, zoals Juda, leven zonder naar Gods stem te luisteren (Jeremia 9:14). Het is ?geoefend in gierigheid? (2 Petrus 2:14). Onbekeerlijk (Romeinen 2:5). Onwijs. Ongehoorzaam. Wellustig. Levend in haat ten opzichte van anderen (Titus 3:3).
Wanneer ben je blij, dat je buurman die heel grote boom in zijn tuin belooft te rooien? Nou, als die boom zoveel schaduw veroorzaakt, dat de zon helemaal niet meer in jouw tuin kan schijnen. Wanneer verheug je je erop dat God belooft: Ik zal jouw stenen hart wegnemen? Als je er last van hebt. Als je overhoop ligt met dat steen! Met je eigen onmacht en onwil om God echt lief te hebben en naar Hem te luisteren. Heb je dan genoeg aan een paar mooie woorden? Nee, je gaat bidden en bedelen. Of God je een vlezen hart wil geven (Ezechiël 36:26).
Een vlezen hart leeft. En wat leeft, kan luisteren. Een vlezen hart wíl ook luisteren. Naar God. Het wil leven volgens Gods bevelen. Het wil Zijn rechten bewaren (Ezechiël 36:27). Er is in de Bijbel ook sprake van sterfelijk, zondig vlees. Dat blaakt van bittere vijandschap tegen God (Romeinen 8:7). Steen! Maar zulk vlees bedoelde Ezechiël niet. Integendeel. Hij sprak over een vlezen hart. Dat is een door God gereinigd hart (Hebreeën 10:22). Dat is een hart vol eerlijke, broederlijke liefde (1 Petrus 1:22).
Is mijn hart van steen? Heb jij een vlezen hart?
Donderdag 3 mei
Heb je zachtmoedigheid geleerd? {Mattheüs 11 vers 20 tot 30#www.statenvertaling.net/bijbel/matt/11.html} ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.?
Je zegt: ?Hoe is dat mogelijk? De Zaligmaker is toch al lang in de hemel. Dus hoe zou ik van Hem nog iets kunnen leren?? Nou, je hebt toch je Bijbel! Dat is om zo te zeggen je lesboek. Houd je aan dat woord (Johannes 8:31). Laat het niet ongebruikt op je nachtkastje liggen. En bovendien: de Heere Jezus beloofde de komst van de Heilige Geest op het Pinksterfeest (Handelingen 2:4). Hij had al eerder toegezegd dat die Geest Leermeester zou zijn van iemand die onderwijs nodig heeft of er om verlegen zit. ?Die zal u alles leren? (Johannes 14:26).
Uitbuiting en onrecht gaan in de Derde Wereld vaak hand in hand. De Westerse samenleving zit ook vol agressie. Iedereen staat op zijn rechten. Eigenlijk zitten wij als christenen vaak niet veel anders in elkaar. De Heere Jezus zei echter: ?Zalig zijn de zachtmoedigen; zij zullen het aardrijk beërven? (Matthéüs 5:5). En: ?Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben? (Matthéüs 11:29). Als zachtmoedige neem je het recht niet primair in eigen hand. Je zoekt eerst je recht bij God (Zefanja 2:3). Hij leidt zachtmoedigen in het recht. Hij leert ze Zijn weg (Psalm 25:9).
De Heere Jezus was zeer zachtmoedig. Hij kwam ?zachtmoedig, gezeten op een ezelin? (Matthéüs 21:5). Dat was bepaald geen teken van macht. Dus nederig! Maar die nederigheid komt vooral aan bod in Jezus? lijden. Hij droeg de last van de toorn van God over de zonden van zoveel mensen. Hij werd als een lam ter slachting geleid. Maar Hij deed Zijn mond niet open (Jesaja 53:6,7). En Hij leerde: Hebt uw vijanden lief; doet wel degenen, die u haten. Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen (Lukas 6:27,28).
Het gaat bij die zachtmoedigheid en nederigheid niet zomaar om een karaktereigenschap, maar om een nieuw hart. Om de vrucht van het vernieuwende werk van de Heilige Geest (Galaten 5:22). Heb jij al zachtmoedigheid geleerd? Als je veel zonde ziet in je doen en laten durf je dat niet zeggen. Het is nog zo onvolmaakt op aarde. Het ene ogenblik staat er dat Mozes ?zeer zachtmoedig? was, meer dan alle mensen op aarde (Numeri 12:3). Later sloeg hij driftig op de steenrots (Numeri 20:11). Toch maar vragen of je ook les krijgt?
Vrijdag 4 mei
Laat de satan niet toe je hart in bezit te nemen. Handelingen 5 vers 1 tot 11 ?Waarom heeft de satan uw hart vervuld??
?Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have? (Handelingen 5:1). Mogelijk een hofstee, een soort boerderij. Want die twee mensen hielden geld achter van ?de prijs des lands? (Handelingen 5:3). Deed Ananias dat in z?n uppie? Echt niet. Hij deed het mét Saffira. Zij was medeplichtig. Ook Barnabas verkocht een lap grond. Hij stelde het geld ter beschikking van de apostelen (Handelingen 4:37). Gaf hij de hele opbrengst? Waarschijnlijk. Maar de zonde van Ananias en Saffira was niet dat zij niet al het geld gaven. Hun vergrijp was, dat ze deden alsof ze alles gaven. Zo bleken zij huichelaars.
Vind jij dat herkenbaar? Of ben je beter dan Ananias en Saffira? Als ik een woordje weglaat uit een zin, wordt net even meer aandacht gevestigd op mijn probleem. Ik kwakkelde op reis wat met m?n gezondheid. Ik vertelde dat thuis tegen de dokter. Die zei: Je hebt waarschijnlijk een lichte tia gehad, een kortdurende verstopping van een bloedvat in de hersenen. Nou dan laat je als je daarover tegen iemand vertelt die woorden ?waarschijnlijk? en ?licht? weg. Je weet dat deze of gene je dan meer beklaagt. Dat is toch hoogmoed? Duivelse huichelarij!
Het hart is het centrum in de mens van de wil, de begeerten, de hartstochten, van alle gevoelens en emoties. In het hart klopt het hele leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Dus het is niet best als de satan je hart vervult. Dat betekent eigenlijk dat hij al de genoemde menselijke vermogens gaat beheersen en regeren. De Heilige Geest maakt eerlijk. Ananias en Saffira bleken echter niet vervuld van die Geest, maar van de boze geest. Petrus velt een scherp oordeel: ?De satan heeft uw hart vervuld.?
De duivel bracht David ertoe zijn onderdanen te tellen (1 Kronieken 21:1). Hij is een bedrieger. Kijk waartoe hij Ananias en Saffira bracht. Hij is de moordenaar en de leugenaar van het begin (Johannes 8:44). Hij was de vernieler en maakte Job ziek (Job 2:7). Paulus kende zijn listen: ?Zijn gedachten zijn ons niet onbekend? (2 Korinthe 2:11). Petrus tekende hem als briesende leeuw. Maar ?wederstaat hem, vast zijnde in het geloof? (1 Petrus 5:8,9). De duivel zou geen kans hebben in ons leven, als wij hem niet zelf binnenlieten in ons hart.
Zaterdag 5 mei
Laat je hart niet lui blijven. Lukas 24 vers 13 tot 27 ?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven.?
De Emmaüsgangers waren bedroefd. Maar ze hadden het kunnen weten. Jezus was gekruisigd. Maar toen de opgestane Zaligmaker met hen over de weg wandelde, zei Hij: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Jezus was op een ezelin Jeruzalem binnengereden (Matthéüs 21:7,10). Reeds Zacharia voorzegde: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Een bende soldaten met dienaars van de overpriesters en farizeën kwam Jezus vangen (Johannes 18:3). De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
?O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven? (Lukas 24:25). Als je onverstandig bent, denk je niet na. Je hebt geen besef van wat er eigenlijk aan de hand is. Je doorziet de waarheid niet. Zo was het met de Emmaüsgangers. Zij bleven kennelijk maar dat typisch Joodse verwachtingspatroon koesteren dat de Messias het Joodse volk als natie zou bevrijden van de Romeinen (Handelingen 24:21). Zitten jouw en mijn hart zo ook niet vaak gevangen in hun eigen denken, doen en laten? Wij weten hoe het moet. En zo moet God het maar doen!
De moeder van Jacobus en Johannes, kinderen van Zebedeüs, wilde wel graag dat haar zonen in het verwachte Koninkrijk van de Heere Jezus aan Zijn linker- en rechterhand mochten zitten (Matthéüs 20:21). Maar onverstandigen en tragen van hart: Die jongens werden niet zomaar minister in dat nieuwe koninkrijk. Het schijnt soms dat het Evangelie een soort successtory is. In de zin van: ?Jezus is de oplossing voor al je problemen.? Dat is waar. Maar anders dan jij denkt.
Hoe dan? Ze moesten eerst één plant met Hem worden met Hem de dood in, om te delen in het voordeel van Zijn opstanding (Romeinen 6:5). Ook jij en ik: wij moeten vanuit de nood van ons schuldige leven oog krijgen voor de verzoening, voor het verlossingswerk van de Heere Jezus (Jesaja 53:5)? En leren dat de erfenis van een christen niet bestaat in succes of luxe baantje, maar in verdrukking (Matthéüs 24:9; Johannes 16:33). En toch? Ooit komt zo iemand thuis. Dan is het gedaan met die onverstandigheid en traagheid van hart.
Zondag 22 april: Exodus 5:1-9 (Er)ken jij God?
Exodus 5:2: ?Ik ken de HEERE niet.?
Je zit in de huiskamer. Je kijkt door het raam. Je ziet over de stoep aan de andere kant van de straat een man lopen. Je weet zijn naam niet. Je hebt hem nooit ontmoet. Ken je hem dan? Nee, natuurlijk niet! Je kent iemand niet, als je hem slechts voorbij ziet lopen. Kennis is niet louter theoretisch inzicht of praktische informatie paraat hebben. Als je iets kent, heb je er ervaring mee, dan ben je er vertrouwd mee. Als je iemand kent, komt dat, omdat je met hem omging. Je hebt hem persoonlijk ontmoet, gezien, gehoord. Je weet iets van z?n karakter.
Zo kende de farao, de koning van Egypte, Israëls God niet, de HEERE die een verbond sloot met Zijn volk. Farao liet het tot slavernij vervallen volk niet vertrekken. Hij verzwaarde de lasten van Israël (Exodus 5:7). Daar zat meer achter: vijandschap. De farao was zo?n goddeloze, die zegt: ?Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?? (Job 21:15). Hij weigerde God te (er)kennen. Dat brak hem zuur op. Want het gevolg was dat de Egyptenaren en de farao God leerden kennen in Zijn toorn! De HEERE streed voor Israël (Exodus 14:25).
Zit jij anders in elkaar dan de farao? Voel je je beter dan Petrus? Die zat bij het vuur in het huis van de hogepriester (Johannes 18:24). Hij ontkende drie keer dat hij Jezus, z?n Meester kende. Toen de haan kraaide, ging Petrus huilend naar buiten (Lukas 22:62). Wat zouden jij en ik gedaan hebben? God en Jezus (er)kennen? Moeilijke vraag! Of niet? Adam en Eva begonnen met God niet te (er)kennen. Toen ze naar de slang luisterden (Genesis 3:4-6). Zit dat weigeren om God te (er)kennen jou en mij dan eigenlijk niet in de genen?
De farao zei: ?Ik ken de HEERE niet? (Exodus 5:2). Het aantal mensen in ons land dat zijn woorden beaamt, neemt toe. Kijk naar de kerkverlating. Maar binnen de kerk leven mensen die er feitelijk niet anders over denken. Omdat er bij hen geen enkele betrokkenheid bestaat op de daar gehoorde boodschap van zonde en genade. Jij bent toch niet zo iemand? Want met de farao liep het fout af. Je kunt beter bij dat Gods volk horen. Van hen geldt: ?Zij zullen Mij allen kennen? (Jeremia 31:34).
Maandag 23 april: Jeremia 3:6-14 Ken jij je zonde?
Jeremia 3:13: ?Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden.?
Jeremia vergeleek de relatie van God met Juda en Israël met een huwelijk. Zowel Juda, de twee stammen, als Israël, de tien stammen, schond die relatie. Zoals een vrouw die er af en toe met een ander van door gaat (Jeremia 3:1,2). De Heere Jezus zei veel later: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Het ?trouweloze? Juda dacht echter dat dit wel kon (Jeremia 3:10). Want tijdens de regering van Josia was sprake van een reformatie (2 Koningen 23). Maar die volksbekering bleek schijn. Juda maakte het later erger dan Israël (Jeremia 3:11). Daarom riep God juist Israël weer tot bekering: ?Ken uw ongerechtigheid? (Jeremia 3:13).
Wat antwoord je, als iemand tegen jou zegt: ?Ken je ongerechtigheid, je wetteloosheid, je zonde?? ?Nou ja?, zeg je misschien: ?Dan moet ik natuurlijk erkennen dat ik een zondaar ben. Nou, dat ben ik wel hoor. Vanzelfsprekend.?
Wacht even: Je kunt met prachtige woorden allerlei als vanzelfsprekend beschouwde dingen belijden. Dat gebeurt. Ook vanaf veel kansels. Zo hoort het toch? Zeker. Maar om iets te erkennen, moet je het eerst kennen. Wat heb je aan erkennen van zonde als er geen kennen voorafgaat? Ervaar je de pijn niet van het schuldig ongehoorzaam zijn? Is er dan geen sprake van een lege schuldbekentenis, zonder waarde?
Kennen is in de Bijbel ervaringskennis. Bij het kennen van God ben je in de Bijbel als mens met je hele bestaan betrokken. Niet alleen met je redenerende verstand. Zo ben je ook met je hele bestaan betrokken bij het zondigen. Je zondigt niet in de ruimte, maar tegen Iemand. Tegen God. Als je Hem niet kent, ken je de zonde niet op de ?goede? manier. Je ervaart geen pijn, omdat je de goede God verdriet doet.
?Ken uw ongerechtigheid?! Is dat niet om bang van te worden? Misschien wel. Maar als God in je leven kwam, weet je dat Hij recht heeft op jouw liefde en gehoorzaamheid. Misschien zing je met David: ?Ik ken mijn overtredingen? (Psalm 51:5). Dan is vast ook dat andere lied je lief: ?Doorgrond mij, o God! En ken mijn hart; beproef mij, ken mijn gedachten? (Psalm 139:23). En je weet toch dat zonden kennen, erkennen, belijden de weg vormt naar vergeving (Psalm 32:5)? ?Ik zal u aannemen?, zei de HEERE (Jeremia 3:14).
Dinsdag 24 april: 1 Kronieken 28:1-10 (Er)ken en dien de Heere!
1 Kronieken 28:9: ?Ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel.?
Heb jij ook zo?n vader als David was? Hij mocht geen tempel bouwen (1 Kronieken 22:8). Sálomo moest het doen. Maar denk erom jongen, zei vader David: ?Ken de God van uw vader? (1 Kronieken 28:6,9). Dus de oude koning vroeg niet of Sálomo veel aan z?n vader wilde denken. Hij moest vooral de God van z?n vader in gedachten houden. Sálomo moest die God erkennen, liefhebben en gehoorzamen. Heeft jouw vader zo ook het goede met jou voor?
David had weinig reden om te zeggen dat Sálomo veel aan hem moest denken. Want Davids leven telde tal van zondige missers. Gelukkig gold van hem: ?U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde? (Psalm 32:5). David bedoelde tegen Sálomo te zeggen: Ik heb mijn God trouw gediend. Doe dat ook. God is het zo waard. Hij was zo goed voor mij. God had mij lief. Onbegrijpelijk! (1 Kronieken 28:4).
(Er)ken de God van je vader, Sálomo, ?dien Hem met een volkomen hart?(1 Kronieken 28:9). Dát is niet gering. Het hart is in de Bijbel centrum van het totale menselijk leven (Spreuken 4:23). God vraagt veel: Je kracht; je tijd; je handen en voeten; je ogen en oren; je hartstochten en begeerten. God vraagt alles van je, Sálomo! Het zou nog eeuwen duren voor Paulus werd geboren. Toch beschreef hij de strijd die op zo?n keuze volgt (Romeinen 7:22,23).
David zei: ?Geen twee heren dienen, jongen.? Geen halfslachtig leven leiden. Eeuwen later waren de Romeinen de baas in het gebied van de Middellandse Zee. Er heerste grote tolerantie. Je mocht allerlei goden dienen. Maar één ding mocht géén van de inwoners van dat grote rijk nalaten. Hij mocht niet weigeren goddelijke eer te bewijzen aan de Romeinse keizer. Door een offer aan hem te wijden. Dat konden christenen niet. Jezus was hun Heere.
Heb jij ook een vader, die je zó liefheeft dat hij je aanraadt God te dienen? Met een gewillige ziel. Ook dat woord ziel duidt op de totale menselijke persoonlijkheid. Het ?trouweloze? Juda dacht dat het wel kon (Jeremia 3:10). Maar de Heere Jezus gaf later dezelfde raad als David: Je kunt geen twee heren dienen (Lukas 16:13). Denk er eens aan, als je achter je scherm zit. En als je er over denkt, waar je zaterdagavond heen wil!
Woensdag 25 april: Johannes 10:1-15 Kent de Heere jou?
Johannes 10:14: ?Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend.?
Die Joodse man was blind geboren. Jezus genas hem. De farizeeërs zaten hen beiden dwars (Johannes 9:16). Farizeeërs bleken weinig pastoraal. Ze leken meer op moordenaars. Maar de Heere Jezus typeerde Zichzelf als het tegendeel. Als de goede Herder. ?Ik ken de Mijnen?, zei Hij. ?Ik stel Mijn leven voor de schapen? (Johannes 10:8-15). Zo?n herder leidt zijn schapen naar grazige weiden (Psalm 23:2). Hij beschermt z?n schapen tegen rovers en roofdieren. Er gaat er niet één verloren. Je bent veilig, als de goede Herder je kent!
De Heere Jezus gebruikte een gelijkenis. Zo?n aan het dagelijks leven ontleend, verzonnen verhaal, wil een belangrijke waarheid duidelijk te maken. Welke? De bij Adam en Eva begonnen zonde, had de dood tot gevolg (Genesis 2:17). Maar wat een wonder: het verlorene kan zalig worden. Er bestaat een uitverkiezing! (Eféze 1:3-6). Als God je zó kent, kan niemand je uit Zijn hand rukken (Johannes 10:28). Je bent veilig. ?Het vaste fundament Gods staat? de Heere kent degenen die Zijne zijn (2 Timothéüs 2:19).
Kent de Heere jou ook? Natuurlijk, Petrus zei: ?Heere! Gij weet alle dingen? (Johannes 21:17). Maar kent de goede Herder jou als schaap? Zeg niet te gauw ?ja?. Want de schapen horen Zijn stem. Hij verwacht gehoorzaamheid van je. Als je bij Jezus hoort, luister je naar Zijn onderwijs. Je zingt net als David: ?Laat mij van Uw geboden niet afdwalen.? Soms valt er nog maar één ding te belijden: ?Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten? (Psalm 119:10, 176).
De stem van de Heere Jezus is ook vol van genade. Hij kent Zijn schapen door en door. De goede Herder is als die vader die Zich ontfermt over de kinderen. Zo ?ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen. Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn? (Psalm 103:13,14).
Als de Heere jou kent, leerde jij de Heere kennen. Net als Paulus. Hij schreef: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16). Zo kennen schapen Zijn stem. Net als de bruid: ?Dat is de stem van mijn Liefste? (Hooglied 2:8). Welke stem volg ik? Jij? De stem van de slavendrijver uit de hel? Of die van de goede Herder?
Donderdag 26 april: Spreuken 3:1-7 (Er)ken God door Hem raad te vragen.
Spreuken 3:6: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.?
Je leest. Een roman. Een levensbeschrijving. Een studieboek. Je hebt het uit. Ken je dan de auteur? Niet echt. Je weet iets over zijn schrijfstijl. Over zijn interesse. Of over zijn fantasie. Maar je kent zo iemand pas echt ?en dan vaak nog maar een beetje? als je hem of haar persoonlijk ontmoet hebt. Pas als je intensief met iemand omgaat, hem achter z?n vestje kijkt, je hart voor elkaar hebt opengelegd, zeg je: ?Nu kennen wij elkaar.? Mozes kende God. Maar niet alleen uit een boekje. Van aangezicht tot aangezicht (Deuteronomium 34:10).
Sálomo adviseerde God de kennen, te raadplegen in al je wegen (Spreuken 3:6). Dus vraag Zijn raad bij alles wat je van plan bent en denkt op te pakken. Zoek Zijn wil voor al je doen en laten. En ten aanzien van je zwijgen en spreken. Dat is niet gering! Is dat mogelijk, als je God niet kent ?van aangezicht tot aangezicht?? Kun je Zijn wil kennen zonder persoonlijke relatie met de Heere? Zeg niet te snel: Nee. Want God, de grote Auteur achter de Bijbel, verschilt van alle andere schrijvers. Hij openbaarde Zichzelf en Zijn wil in dat boek (2 Petrus 1:19).
?Ken Hem in al uw wegen.? Misschien zeg je: ?Ja, juist, vanzelf. Als ik in moeilijkheden zit. Als ik voor levensraadsels sta. Dan moet ik mij natuurlijk tot God wenden. Zien of Hij mij een oplossing aan de hand wil doen.? Denk je dat Sálomo dat bedoelde? Dan zit je ernaast. De wijze koning gebruikte het woordje ?al?. Raadpleeg God ?in al uw wegen?. Dus ook als er helemaal geen sprake is van raadsels of problemen. Als je God vreest en de zonde haat, geeft het ?zonder Hem kan ik niets doen? (Johannes 15:5) steeds meer de toon aan in je leven.
Je zegt: ?Wacht even! Maar Sálomo beloofde wel: ?Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken? (Spreuken 3:6). Dus dan is er óók voor elke moeilijkheid een oplossing!? Wacht even! God gebruikt soms moeilijkheden om je aan te sporen tot gebed. Om je recht en echt afhankelijk te maken en te houden van Hem. Dan geldt: ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede? (Romeinen 8:28). Ook obstakels en moeilijkheden op je levensweg.
Vrijdag 27 april: Filippensen 3:2-16 Wie Christus kent, heeft alles!
Filippensen 3:8: ?Ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere.?
Saulus van Tarsen was ooit een brave farizeeër (Handelingen 23:6). Farizeeërs waren rechtzinnige, wettische mensen. Zij probeerden met hun eigen doen en laten God een plezier te doen. Zelfs, zoals Saulus, met het vervolgen van christenen. Maar op weg naar Damaskus verloor hij de macht over het stuur. De Heere Jezus kwam in z?n leven. Eerst ontdekkend. Saulus? zonden ontmaskerend (Handelingen 9:5). Maar ook met Zijn liefde en genade. Later schreef Paulus: ?Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren? (Galaten 1:16).
Alle goede werken van Paulus hadden niks te betekenen. Nee, het was nog veel erger. Ze bleken in feite zondig. Ze waren onrein, een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6). En nu hoefde hij niet onder Gods rechtvaardig oordeel te sterven. Hij leerde Christus persoonlijk kennen. Hij kreeg genade. Leven. Dat vergeet je nooit meer! De apostel Johannes wist dat ook. Ooit viel zijn oog voor het eerst van z?n leven op Jezus als het Lam Gods. Onvergetelijk! Het was tien uur (Johannes 1:40). Wat kreeg Paulus de Heere Jezus onvoorstelbaar lief.
Hij typeerde z?n vroeger als verdiensten beschouwde goede werken als schade. Als vuilnis. Als drek (Filippensen 3:8). Dat kan betekenen: uitwerpsels van honden, of hondenvoer. In elk geval: vuile troep. Vergeleken bij het kennen van Christus, Zijn Persoon, Zijn werk, blijkt alles waardeloos. Want in dat kennen ligt het eeuwige leven (Johannes 17:3).
Je zult maar net als Paulus ontmaskerd worden als een vijand van God. Zo iemand heeft niet anders te verwachten dan de dood. Wat een niet in woorden uit te drukken wonder, als je voor het eerst in je leven ziet dat zo?n vijand nog met God verzoend kan raken en vrede bij God krijgen. Door Christus! (Romeinen 5:1,10). Je hoorde misschien twintig of dertig jaar over Jezus preken. Maar je had niks met Hem. Tot je jezelf als een doodschuldige vijand van God leerde kennen. Toen kwam het ogenblik dat Zijn dood waarde voor je kreeg. Heel persoonlijk.
Sommige mensen citeren graag de woorden van Paulus. Maar dan zo: ?om de uitnemendheid van Christus.? En zeker: Christus is een voortreffelijke Zaligmaker. Maar het gaat er wel om, of je Hem ooit persoonlijke hebt ontmoet, of er sprake is van een individuele relatie met die Zaligmaker. Het gaat om ?het kennen van Christus?.
Zaterdag 28 april: 1 Korinthe 13 Straks komt het volmaakte.
1 Korinthe 13:9: ?Wij kennen ten dele.?
Aan de andere kant van de golf van Korinthe lag het stadje Delphi. Daar was sprake van extatisch spreken onder heidense priesters en priesteressen. Dus indien je als christen in andere talen kon spreken, had je ook iets bijzonders. Maar Paulus relativeerde in zijn eerste de brief aan de christengemeente te Korinthe het belang van dat spreken in vreemde talen. De beste, de hoogste gave was voor hem niet tongentaal. Zelfs niet kennis (1 Korinthe 13:13).
Er is sprake van kennis. Natuurlijk. Je gaat niet voor niks op zondag naar de kerk. En in de week naar de catechisatie of de bijbelkring. Wij weten uit de Bijbel wat voor onze zaligheid nodig is. Gelukkig! De Heilige Geest is met Pinksteren uitgestort. Die leidt in al de waarheid. En Hij verheerlijkt Christus (Johannes 16:13,14). Dat betekent echter niet dat er geen raadsels overblijven. Maar als straks het volmaakte is gekomen, schreef Paulus, dan wordt alles wat ten dele is opgeheven, ongedaan gemaakt, teniet gedaan (1 Korinthe 13:10).
?Wij kennen ten dele? (1 Korinthe 13:9). Sommige mensen misbruiken die woorden om de waarheid van Gods Woord te relativeren. ?Och joh, waarom zouden die moslims, of die hindoes ook niet een stukje van de waarheid hebben. Je moet niet altijd denken dat jij zelf alleen de waarheid in pacht hebt.? Dat is in feite het denken van de huidige, postmoderne cultuur. De stiefdochter van die cultuur heet ietsisme. ?Er moet wel iets zijn, een soort hogere macht. Maar wij weten daar weinig van.? Zo redeneert ontkerstend West-Europa.
Maar je mag dat ?wij kennen ten dele? niet op die manier misbruiken. Denk eens eenvoudig aan de Heere Jezus. Kwam Hij om alle oudtestamentische wetten en ceremoniën af te keuren, ongedaan te maken, opzij te schuiven? Nee, Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen (Matthéüs 5:17). Zo is het ook met de kennis. Het kennen van God de Vader en de Heere Jezus en de Heilige Geest voor Gods kinderen zal op de jongste dag en daarna tot volkomenheid komen.
Dan houdt het ten dele kennen op. De raadsels die er nu nog zijn, de vragen, het niet begrijpen waarom de Heere niet anders met Zijn volk handelde, veranderen dan een lofzang. ?Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed? (Openbaring 5:9).
Zondag 15 april
Wees niet haantje de voorste, maar laat je leren. Matthéüs 13:54-58 ?Gekomen zijnde? leerde Hij hen in hun synagoge.?
Je leest pas de eerste keer over een synagoge in het Nieuwe Testament (Matthéüs 12:9). Want de synagoge is pas ontstaan in de tijd van de Babylonische ballingschap. De tempel was verwoest. Joden liepen gevaar zich aan te passen aan de cultuur van de heidense volken. Joden die Jehova niet wilden vergeten, probeerden een dam op te werpen tegen de geest van de tijd. Zij stichtten synagogen. Zo spoorden zij elkaar aan vast te houden aan het geloof der vaderen. Dat was niet verkeerd!
Een synagoge weerspiegelt een beetje de inrichting van de tempel in Jeruzalem. Tegenover ingang bevindt zich de ark, de bewaarplaats van de wetsrollen. De link is duidelijk. In de ark van het verbond die zich in de tempel bevond, lagen de twee stenen tafels met de Wet van de Tien geboden. Het heiligdom van de ark is in de synagoge van de publieksruimte gescheiden door een voorhangsel. Net als in de tempel. Tussen de ark en de gemeente staat de bima, de katheder vanwaar Schriften worden gelezen en uitgelegd.
Jakobus zei tijdens de eerste synode van de kerk, het apostelconvent: ?Mozes wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen? (Handelingen 15:21). De nadruk lag dus op het lezen van de profeten en het leren van de wetten van Mozes. De synagoge was ook een plaats voor gebed en een plek om onderwijs te krijgen. Van mensen die de betekenis van het Oude Testament wisten duidelijk te maken voor het doen en laten, het kiezen van de weg in de concrete, actuele situatie. Ook de Heere Jezus ging naar de synagoge. Hij onderwees Zijn ?medekerkgangers? (Matthéüs 13:54).
Wat deden de bezoekers van de synagoge? Er staat niet dat Jezus van hen leerde. Maar Hij onderwees hen. En dan mag je best een vergelijking maken met de kerk van nu. Misschien ben jij ook wel eens haantje de voorste. Net als Petrus die z?n zwaard greep (Johannes 18:10). Of verschuilt zich een schriftgeleerde in je hart die hoogmoedig vraagt: ?Zij wij dan ook blind?? (Johannes 9:40). Of heb je voor Jezus gekozen, zonder erbij na te denken dat je dat verplicht tot nieuwe gehoorzaamheid? Weet je wat jij en ik vooral nodig hebben? Om ons door de Zaligmaker te laten onderwijzen! Hij is de Opperste Wijsheid (Spreuken 1:20).
Maandag 16 april
Wie is de baas in je leven? Openbaring 2:8-11 ?Ik weet? de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.?
De christenen in de gemeente van Smyrna waren arm, niet welvarend. En toch waren zij rijk (Openbaring 2:9). De rijkdom van gelovigen in Smyrna bestond in geestelijke goederen. Zij kenden Christus. Zij vertoonden Zijn beeld (Kolossenzen 3:10). De mensen in de gemeente van Smyrna waren herkenbaar als christen. Dat wekte felle tegenstand en aversie. Door leer en leven, door hun echt christelijk gedrag veroordeelden zij eigenlijk de Joden die zo prat gingen op hun goede godsdienst. En ook de heidense wereld met alle gemene afgoden
Toen de apostel Johannes tegen het jaar 90 Gods brief aan de gemeente te Smyrna schreef, zaten Joden de christenen dwars. Zij verbeeldden zich dat zij ijverden voor Gods wet. Ze zeggen dat ze Joden zijn, maar ze zijn die naam niet meer waard, schreef Johannes. En hun synagoge? Dat woord betekent in het Grieks: huis van samenkomst. Het Hebreeuws heeft daar ook een ander woord voor. Het spreekt over de knesset. Dat woord ken je waarschijnlijk. Het Israëlische parlement vergadert immers altijd in de het gebouw dat de Knesset heet.
In elk geval: de Joodse acties maken dat hun synagoge geen huis van God meer mag heten, schreef Johannes. Hij typeerde haar als synagoge des satans (Openbaring 2:9; 3:9). Want de Joden lasterden. Dat begrip heeft onder ons doorgaans de betekenis van kwaad spreken over iemand. Maar Johannes gebruikte een woord dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand.
Ben jij een echte christen? Of zeg je dat alleen maar, terwijl het niet waar is? Wie is de baas in jouw leven? Misschien voel jij je thuis in die gemeente te Smyrna. Je weet je niet welvarend. Maar je kunt God niet meer missen. Je haat de zonde. Je hebt Hem lief. En je ziet soms met vrees naar de toekomst. Hoeveel ruimte zal er nog overblijven voor christenen in Nederland? Als je verwantschap voelt met die christenen uit Smyrna, zegt Johannes het ook tegen jou: Vrees geen van de dingen, die je zult lijden. De duivel zal er een paar in gevangenis gooien. Maar wees getrouw tot de dood. Ik zal je de kroon des levens geven (Openbaring 2:10).
Dinsdag 17 april
Naar de kerk gaan: een goede gewoonte. Lukas 4:1-16 ?En Hij ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge.?
?Al die tradities! Ik verafschuw ze!? Misschien zeg je dat wel eens. Ik deed vroeger ook liever waar ik zelf zin in had. ?Al die gewoonten waar ik mij aan moet houden. Bah!? Maar is het niet opvallend, dat zelfs de Heere Jezus er gewoonten op nahield? Dat moeten goede gewoonten zijn! Hij ging, ?naar Zijn gewoonte?, op de dag van God, de sabbat, naar de synagoge (Lukas 4:16). Nou, dan doen jij en ik er stellig goed aan op de nieuwtestamentische dag van God, de opstandingsdag van de Heere Jezus Christus, ook naar de kerk te gaan.
Het staat er niet maar één keertje, dat de Heere Jezus de synagoge opzocht. De evangelist Matthéüs zei over de Zaligmaker: ?Gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Deze die wijsheid en die krachten? (Matthéüs 13:54). Markus schreef: ?Zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden (Markus 1:21,22).
Dus de evangelisten vertelden dat Jezus ook in Zijn vaderland op de sabbat in de synagoge onderwijs begon te geven. ?Velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?? (Markus 6:1). Lukas zegt drie keer dat Jezus de synagoge bezocht. Jezus genas er zieken (Lukas 13:10-12). De schriftgeleerden en farizeeën waren razend. Maar Lukas zei ook: ?Hij werd door allen geprezen? (Lukas 4:15).
Sommige mensen antwoorden op de vraag: Wat ga je in de kerk doen: Zitten! Misschien op de galerij een beetje met je mobieltje zitten rommelen? Dat is verdrietig. Want dan koester je geen enkele verwachting van de Heere Jezus. Misschien interesseert het geloof je niet meer. Omdat je bij andere mensen in de kerk dingen zag, die voor God niet door de beugel kunnen. Dat komt voor. Helaas! Maar gaat het in de kerk om de mensen van de kerk, of om de Koning? De Heere Jezus ging Zelf op de sabbat naar de synagoge. En jij kunt in de kerk van Zijn onderwijs, heel persoonlijk, toch alleen maar beter worden?
Woensdag 18 april
Word jij ook nijdig als je hoort en ziet wat de Heere Jezus doet? Lukas 4:16-30 ?Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld.?
Misschien heb jij een bepaalde kijk op het ambt van predikant. Je houdt van een luxe huis. Villa, Volvo en Vakantie! Kostje gekocht? Nee, je zit er naast. Jezus zei: ?In de wereld zal je verdrukking hebben? (Johannes 16:33). Droefenis, ellende, tegenspoed! ?Allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, zullen worden vervolgd? (2 Timothéüs 3:12). Dat overkwam de Heere Jezus Zelf. Zijn dorpsgenoten uit Nazareth wilden Hem in een ravijn gooien (Lukas 4:29). En een dienstknecht, een dominee, ?is niet meer dan zijn heer? (Johannes 15:20).
Er was telkens sprake van gedoe rond Jezus. Hij was opgevoed in Nazareth (Matthéüs 2:23; Lukas 4:16). Op de sabbat, ging Hij, net als andere mensen, naar de synagoge. Daar las Hij, net als andere mannen, uit de wet of de profeten. Zo las Hij in Nazareth uit Jesaja. In die tijd was er nog geen sprake van een hoofdstukindeling. De Heere Jezus las: ?De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen? (Jesaja 61:1). Nou, zei Hij: Dat gaat over Mij (Lukas 4:21).
Toen Hij ook nog Naäman, de Syriër, prees boven de ongelovige Israëlieten en de mensen uit Nazareth, die Hem slechts erkenden als zoon van Jozef, werden die luitjes in de synagoge toch kwaad (Lukas 4:28). Zulke dingen gebeurden trouwens telkens. Bij voorbeeld toen de Heere Jezus op de sabbat in de synagoge een mens met een verschrompelde, krachteloze hand genas. Wat toonden die farizeeën zich boos. Zij ?hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten? (Matthéüs 12:13,14). Zoiets ook gebeurde rond de genezing van een bezetene (Lukas 4:33). De farizeeën vonden zichzelf te goed voor Jezus. Ze wisten zich geen zondaar. Ze vonden zichzelf uitstekende kerkmensen. Ze dachten Jezus? plaatsbekledend lijden en sterven en Zijn opstandingskracht (Eféze 2:1) niet nodig te hebben. Als de Heere Jezus wonderen deed bij mensen die Hem wel nodig hadden, gingen ze Jezus? werk afkammen.
Je moet niet raar kijken als het ook nu in de kerk rumoert. Als er droefenis, ellende, tegenspoed zijn. Als er scheiding van geesten is (1 Korinthe 11:19). Maar de grote vraag is waar jij staat in de kerk. Word jij ook nijdig als je ziet wat Jezus doet? Of verheug je je daarover?
Donderdag 19 april
Paulus begon telkens in de synagoge; en jij? Handelingen 17:1-10 ?? te Thessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in??.
Paulus besloot in Athene niet in z?n eentje op de Areópagus te gaan kijken en praten. Mensen trokken hem erheen, brachten hem op die plaats (Handelingen 17:19). Waar ging de apostel altijd eerst heen? Naar de synagoge, het leerhuis, de kerk. En is dan de gang van zaken voor jou en mij niet onvoorstelbaar? Stel je voor dat er een wildvreemde zendeling uit Israël binnenstapt in ons kerkgebouw. Hij wil z?n boodschap kwijt. Niemand van de ambtsdragers geeft toestemming. ?Kerkordelijk kan dat niet. En wij hebben toch al de waarheid!?
In de synagogen in het gebied van de Middellandse Zee ging dat zichtbaar anders. Joden hadden kennelijk iets met elkaar. De apostel kwam in Antiochië, een stad in Pisidië, dus midden in het huidige Turkije. Hij zocht de synagoge op. En wat zei de overste van de synagoge? ?Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt? (Handelingen 13:15). In Ikonium voerden Paulus en Barnabas ook het woord in de synagoge. ?Een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde? (Handelingen 14:1).
Telkens bezocht Paulus tijdens zendingsreizen de synagoge. In Thessalonica en Beréa (Handelingen 17:2,10), te Korinthe en Eféze (Handelingen 18:4,19). Om ze de boodschap te brengen. Ja, zeg je: Toen kon dat nog. Maar na de massamoord op Joden in de Tweede Wereldoorlog, kun je dat beter laten. O ja? Natuurlijk moet je de boodschap van de Heere Jezus altijd met respect en voorzichtigheid brengen. Maar ellendige gebeurtenissen en menselijk falen zoals in de holocaust mogen een bijbelse opdracht (Lukas 24:47) niet verdringen!
Ik ga die wildvreemde zendeling uit Israël ?of van welke plek ter wereld ook? niet uitnodigen op onze kansel. Akkoord, dat is te riskant. Johannes spoorde aan om de leer zuiver te houden (2 Johannes:9). En Paulus waarschuwde Timothéüs om toe te zien op de leer (1 Timothéüs 6:3). De geloofsleer mag een staf zijn om te gaan en een stok om te slaan.
Maar heb jij ooit een synagoge bezocht? Ik bedoel: Probeerde je ooit medemensen, Nederlandse heidenen, maar misschien ook Joden jaloers te maken? De achttiende-eeuwse predikant A. Hellenbroek typeerde als hinderpaal voor het komen van Joden tot hun Messias, Jezus van Nazareth ?dat wijzelf niet wandelen in het licht des Heeren.? Dat geldt ook voor heidenen.
Vrijdag 20 april
Dagelijks Schriftonderzoek: voorbeeldig! Handelingen 17:10-18 ?Paulus en Silas? naar Beréa; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden; en dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren.?
Eindelijk wachtte Paulus en Silas een echte preekstoel. De overheid van Filippi had hen vriendelijk, doch voortvarend verzocht te vertrekken (Handelingen 16:39). De grote Romeinse weg, de Via Egnatia, voerde hen langs steden als Amfipolis en Apolonia. Eenmaal Thessalonica binnengelopen, vonden ze een synagoge. Op die plek begonnen ze gelijk de boodschap te brengen. Na drie sabbatten bleken Joden nijdig. Ze veroorzaakten een rel. Zij riepen de hulp in van een paar schurkachtige leeglopers van de markt (Handelingen 17:1,2,5).
Het eind van het liedje was dat Paulus en Silas naar Beréa vertrokken. Daar waren de Joden ?edeler, dan die in Thessalonica? (Handelingen 17:11). Het centrum van die oude Griekse stad toont nog altijd een monument voor Paulus met mooie mozaïeken. Het gedenkteken verbeeldt Paulus? visioen. ?Kom over in Macedonië en help ons? (Handelingen 16:9). De zee is zichtbaar. Het schip ligt klaar. Het monument laat ook Paulus? preek in Beréa zien. Is het anno 2012 een beetje gedaan met de edelheid in Beréa? Moslims konden het althans niet laten dichtbij het gedenkteken een forse moskee te bouwen.
Waarom waren die Joden van Beréa nou edeler dan die uit Thessalonica? De Heere Jezus had gezegd: ?Die in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat? (Matthéüs 13:23). En wat deden die Joden uit Beréa? Zij ?ontvingen het Woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren? (Handelingen 17:11). Dus ze baseerde zich niet op praatjes, of menselijke goed- of afkeuring, of op horen zeggen. Maar begeerden hun levenshuis op het Woord te bouwen. Dat is mooi!
Die Joden uit Beréa vormen een voorbeeld voor jou en mij. Ze gingen er niet een avondje voor zitten om daarna ?de Schriften? ?het Oude Testament (2 Korinthe 3:14)? te sluiten. Ze waren dagelijks bezig met onderzoek, of Paulus gelijk had. ?Of deze dingen alzo waren.? De apostel had gelijk. Hij was, onderweg naar Damascus, door de Heere Jezus eerlijk gemaakt. Maar hij was van huis uit farizeeër. Hij kende ?de Schriften? als geen ander. Hij preekte al direct na zijn bekering in de synagogen, dat Christus Gods Zoon is (Handelingen 9:20).
Overigens: hoe ga jij, hoe ga ik te werk? Waar horen wij bij? Bij de Joden uit Thessalonica? Of bij die van Beréa?
Zaterdag 21 april
Heb jij, net als Crispus, je leven over voor het Evangelie? Handelingen 18:1-8 ?En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis.?
De stad Korinthe werd verwoest in 146 voor Christus. Een eeuw later gaf de Romeinse keizer Julius Caesar bevel Korinthe te herbouwen. Het werd een kolonie. Die bleek vooral bevolkt door Romeinse vrijgelatenen, voormalige slaven. De bewoners van een kolonie waren meestal geen makkelijke jongens. Individualisten. Mensen die een beetje bijsturing nodig hadden. Korinthe lag bovendien op een landengte. Vanaf de ene kant was het goed mogelijk naar Rome te varen. Vanaf de andere kant voer je naar Eféze en Smyrna. Vanwege die ligging trok Korinthe een internationale mengelmoes aan van avonturiers: kooplui, havenwerkers, slaven.
Vooral de eredienst van Aphrodite, de godin van de liefde, zorgde met haar honderden priesteressen die ?gewijde? ontucht bedreven voor een onvoorstelbaar brute zedeloosheid en losbandigheid. De Grieken zelf, de oorspronkelijk in deze streken wonende mensen, betitelden een zedeloos mens als ?een Korinthiër?.
Er woonden ook Joden in Korinthe. Dat waren relatief nette mensen. Maar toen Paulus ze in de synagoge het Evangelie ging preken, werden zij heel erg nijdig. Lukas schreef dat de Joden ?wederstonden en lasterden? (Handelingen 18:6). Daar mag je niet te gering over denken. Want voor dat woord lasteren gebruikte Lukas een begrip dat te maken heeft met ons woord blasfemie. En dat betekent niet minder dan: heiligschennis, godslastering. De Grieken gebruikten dat woord als zij het kwaad van de (af)goden afsmeekten over iemand. Paulus zag zich genoodzaakt z?n biezen te pakken. Ik zal voortaan voor de heidenen gaan preken, zei hij.
En toch? Er was een eenling. Crispus. Hij geloofde! En Crispus was nog niet eens de eerste de beste. Nee, hij was overste van de synagoge. Dat was eigenlijk een soort kerkenraadslid. Hij zorgde voor de orde in en behartigde de belangen van de synagoge. Jaïrus was ook zo iemand (Markus 5:22). Die Crispus durfde. Wat had de Heere Jezus ook al weer gezegd? ?Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen God een dienst te doen? (Johannes 16:2). Dat riskeerde Crispus. Dus het geloof van Crispus moet heel diep gezeten hebben. In elk geval heeft Paulus hem ook gedoopt (1 Korinthe 1:14). Crispus geloofde en z?n hele gezin ging mee.
Zou jij ook zo?n Crispus willen zijn? Zou je je leven over hebben voor het Evangelie?
Zondag 8 april: Jezus leeft
Markus 16
vers 6: ?Gij zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet.?
Pilatus verklaarde drie keer dat Jezus geen schuld had. De stadhouder sprak daarom geen doodvonnis uit (Lukas 23:22). Toch zwichtte hij. Voor het opgestookte, (Lukas 23:10) razende volk. Hij gaf tenslotte toestemming Jezus te kruisigen. Alles scheen voorbij. Vrouwen uit Galilea dachten Jezus de laatste eer te bewijzen (Lukas 24:1). Zij hadden niet door dat Hij door mensenhanden niet gediend hoeft te worden (Handelingen 17:25). En dat hun allerbeste doen en laten voor God geen gewicht in de schaal legde (Jesaja 64:6). Breng je gebroken en verslagen hart mee! Schuld! Iets anders hoef je bij de Heere Jezus niet te brengen. Hij geeft. Zonder prijs (Jesaja 55:1). Ze kwamen. Maar ze hoorden: ?Hij is opgestaan!? (Markus 16:6).
Als jij in Jeruzalem op zondagochtend kort voor kerktijd aanklopt bij de Graftuin, zit de deur soms nog op slot. Je staat te wachten. Iemand opent van binnen uit de deur. Hij roept de mensen op straat luidkeels toe: ?Hij is hier niet!? Dat zei ook de engel tot de vrouwen die hun Meester de laatste eer wilden gaan bewijzen. ?Hij is opgestaan!?
Wat is er gebeurd? Sinds de zonde in het Paradijs is er niemand meer die goed doet (Psalm 53:4). De mens die zondigt, zal sterven (Ezechiël 18:4). Ieder mens heeft zijn individuele eeuwigheid nodig om die straf uit te zitten. Eindeloos. Maar Jezus doorleefde ?om zo te zeggen? al die eeuwigheden aan straf van Zijn volk bij elkaar in korte tijd. Tijdens Zijn leven. Speciaal aan het kruis (Deuteronomium 21:23). Zo droeg Hij de straf die talloze zondaren vrede met God brengt (Jesaja 53:5). Hij legde Zelf uit liefde tot God en zondaren Zijn leven af (Lukas 23:46). Toen Hij de straf had gedragen, had God geen reden Hem in de dood te houden. Hij wekte Jezus op. Jezus stond ook Zelf op. Om genade uit te delen. Zelfs aan vijanden (Psalm 68:19).
De mens die zondigt, sterft (Ezechiël 18:4). Zo iemand is eigenlijk al gestorven. Dood in zonden en misdaden (Eféze 2:1).Maar Die gekruist was, is opgestaan. Jezus leeft! Hij regeert. Hij kan ook jou het nieuwe leven geven. Wie met Hem wordt opgewekt (Eféze 2:1), wie in Hem leert geloven, mag vroeg of laat ervaren dat hij voor God niet langer in staat van beschuldiging verkeert (Romeinen 5:1).
Maandag 9 april: Simon heeft Hem gezien
Vers 34: ?Zij keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven saamvergaderd, en die met hen waren; welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.?
De vrouwen die bij Jezus? graf afscheid van Hem dachten te nemen, kregen een opdracht. Zeg tegen de discipelen ?en vergeet Petrus niet? dat jullie de Heere Jezus zullen ontmoeten in Galilea (Markus 16:7). Zij gingen haastig terug. Ze hielden het nieuws geheim (Markus 16:8). Tot zij de discipelen vonden (Lukas 24:9). Niet alleen die vrouwen brachten zo?n bericht. Ook de Emmaüsgangers herkenden hun Meester (Lukas 24:31). Ook zij haastten zich naar Jeruzalem. Misschien waren de discipelen hen wel voor met te zeggen: ?De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien? (Lukas 24:34).
Vergeet Petrus niet, hadden de engelen gezegd (Markus 16:7). De discipel kreeg ooit die naam, toen hij beleed dat de Heere Jezus ?de Zoon van de levende God? was (Matthéüs 16:16). Petrus fungeerde als woordvoerder van alle discipelen. ?U bent de Messias!? Mogelijk dachten z?n medeleerlingen: Dat heeft hij netjes gezegd! Later bleek toch dat Petrus iets had van een angsthaas. Toen hij zijn Meester verloochende in de zaal van de hogepriester. Jezus keek hem aan. Petrus ging naar buiten. De grote, sterke man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld. Wat deed hem dat een onuitsprekelijke, bittere pijn (Lukas 22:60-62). De illusie van nieuw leven scheen voorbij.
Misschien herken jij ?net als ik? iets van Petrus in je leven. Het grootste woord af en toe! Hele verhalen! Ik zal getuigen! Maar als het puntje bij het paaltje komt, kies ik eieren voor m?n geld. Zodra mijn principe geld kost, moet ik er eerst nog even over denken, wat ik zal zeggen. Of was er bij Petrus meer? Ja! Zodra Jezus naar hem keek, schaamde hij zichzelf. Hij had berouw. Hij kende zich schuldig. Hij wist dat hij door te ontkennen dat hij bij Jezus hoorde, had gezondigd. O, wat had hij een verdriet. Hij huilde bitter.
Overtrof de liefde bij Petrus het schuldgevoel (Johannes 21:7)? Zulke mensen zijn er! De Heilige Geest overtuigde hen van zonden (Johannes 16:8). Maar zij hebben toch God lief. En zij dienen Hem niet alleen voor de hemel. God laat het trouwens niet bij die overtuiging alleen. Kijk maar naar Paulus. ?Ik ben de minste van de apostelen?, schreef hij. Maar Jezus ontmoette ook Paulus (1 Korinthe 15:8-9). De opgestane Christus zoekt kennelijk zulke zondige mensen op. Simon! Jou?
Dinsdag 10 april: De Zaligmaker is geen sprookje!
1 Korinthe 15
Vers 3,4: ?Dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften. En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften.?
Het Nieuwe Testament brengt telkens ?de Schriften? ter sprake. Dat zijn natuurlijk geen schoolschriften. Die uitdrukking duidt op de hele verzameling oudtestamentische bijbelboeken. Die lijst, de canon, was al bekend als afgesloten, compleet geheel, toen het Nieuwe Testament werd geschreven. Paulus sprak heel concreet over ?het lezen des Ouden Testaments? (2 Korinthe 3:14). De apostel was van huis uit farizeeër (Handelingen 23:6). Dus hij kende ?de Schriften?. Hij wist dat Christus? opstanding in het Oude Testament al was voorzegd (1 Korinthe 15:3,4).
Zo betoogde Paulus telkens, dat hij geen nieuwlichter was. Hij preekte geen nieuwe leer. ?Ik zeg niets buiten datgene wat de profeten en Mozes hebben voorzegd. Zij zeiden al dat Jezus van Nazareth, Christus, lijden moest, en dat Hij zou opstaan uit de doden? (Handelingen 26:22,23). Misschien dacht Paulus aan Mozes? woord dat ?een opgehangene Gode een vloek is? (Deuteronomium 21:23). Mogelijk had hij het oog op Jesaja?s profetie: ?Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld? Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen (Jesaja 53:9,10).
Paulus was niet de enige die telkens naar het Oude Testament verwees en aangaf dat Christus de langverwachte Messias is. Ook Matthéüs deed dat. Hij zei herhaaldelijk dat het leven van Jezus ?klopte? met het Oude Testament (Matthéüs 21:42). Toen hij bij voorbeeld Judas? verraad beschreef, zei hij: ?Zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen? (Matthéüs 26:15). Daar ligt een link naar Zacharia 11:12. Karakteristiek is voor Matthéüs bovendien het vaak terugkerende accent op het Schriftbewijs met de woorden: ?opdat vervuld zou worden.?
Petrus ging in zijn pinksterpreek trouwens op dezelfde manier te werk. David zong: ?Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie? (Psalm 16:10). Nou, zei Petrus, dat ging niet alleen over David hoor. David was profeet. Hij wist dat hij een van de voorouders was van de Zaligmaker in Zijn menselijke natuur. ?Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien? (Handelingen 2:31).
Theologen proberen zich met allerlei moderne ideeën van Jezus af te maken. Paulus en Petrus en Matthéüs deden dat niet. Jezus was geen sprookje. Jij kunt ook niet om Hem heen!
Woensdag 11 april: De discipelen hadden geen oog voor Jezus? werk
Mattheus 16
Vers 21: ?Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.?
De Heere Jezus zei: Ik ga lijden en sterven. Daarna sta ik op uit de dood. Maar de discipelen wilden er niet aan. Petrus begon Hem op Z?n nummer te zetten. Dat is eigenlijk begrijpelijk. Hij ging elke dag intensief met zijn Meester om. Het was zo goed dagelijks te delen in Jezus? gezelschap, Zijn liefde, Zijn gunst. Dat wil je toch niet kwijt? Een stervende Zaligmaker? Daar wil je niet van horen. Eigenlijk vanuit de gedachten: Waar is dat voor nodig? Dus Petrus zei: ?Heere, wees U genadig! Dit zal u geenszins geschieden? (Matthéüs 16:21).
Toen echter later de Emmaüsgangers bedroefd waren, omdat Jezus gekruisigd was, zei de Zaligmaker: Zó moest het gebeuren (Lukas 24:27). Je kon het weten! Hoe dan? Nou, Jezus reed op een ezelin Jeruzalem binnen (Matthéüs 21:7,10). Zacharia zei eeuwen daarvoor al: ?Uw Koning zal komen? arm en rijdende op een ezel? (Zacharia 9:9). Er kwam een met zwaarden en stokken gewapende bende om Jezus te vangen. De discipelen vluchtten (Matthéüs 26:56). Ook dat voorzegde Zacharia: ?Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder? sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden? (Zacharia 13:7). Jesaja schreef: ?Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest? Hij zal de dagen verlengen? (Jesaja 53:9).
Maar Petrus en de andere discipelen leefden van de liefde. En ze dachten te goed over zichzelf. Jezus lijden? Waarom? Wellicht kenden ze ook wel die andere woorden van de profeet: ?Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn? tegen de zonde en tegen de onreinigheid? (Zacharia 13:1). Mogelijk legden ze dat zo uit: Als we maar dicht bij Jezus leven en Hem liefhebben, dan zullen we het zondigen wel laten. Zoiets heb jij misschien ook wel eens gedacht. Maar die Fontein duidt op Jezus? ?rantsoen voor velen? (Markus 10:45).
Jij, ik, wij kunnen ons heel wat verbeelden! We gaan misschien al vijftien of vijfentwintig jaar keurig naar de kerk. Maar met al m?n godsdienstigheid ben ik er ?net als Petrus? blind voor dat de Zaligmaker Zijn leven moest afleggen, de straf moest dragen voor mijn zonden. Die blindheid moet je leren kennen, leren belijden als schuld. Wat is het een voorrecht dat de Heere Jezus opstond. Hij leeft. Om mensen zoals jij en ik dat te leren. Net als de Emmaüsgangers (Lukas 24:27).
Donderdag 12 april: De Heere Jezus is de Opstanding en het Leven
Johannes 11
Vers 25: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.?
Denk je dat de Heere Jezus alle mensen op dezelfde manier liefheeft? Echt niet! Scherp richtte Hij Zich tegen farizeeërs, rechtzinnige, wettische mensen die probeerden zelf rechtvaardig te zijn voor God. Hij keerde Zich al net zo fel tegen sadduceeën. ?Gij adderengebroedsels!? Kinderen van de slang (Matthéüs 3:7). Sadduceeën koesterden liberale ideeën. Zij richtten zich alleen op de geschreven wetten, niet op mondelinge traditie. Ze ontkenden dat God ingrijpt in de historie. Zo verbonden ze geluk en onheil, aan de menselijke vrije wil. Maar Johannes schreef: ?Jezus had Martha, en haar zuster, en Lázarus lief? (Johannes 11:5)!
Waar hoor ik bij? En jij? Bij de farizeeërs? Bij de sadduceeën? Of bij Martha en Maria en Lázarus? Mogelijk heb je verdriet. Omdat je niet in staat bent goed voor God te leven. Of het klinkt je af en toe in je oren: ?Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid!? (Matthéüs 21:19). Misschien heb je jezelf ook wel eens herkend in dat verschrikkelijke woord adderengebroedsel. Dat is erg! Dan ligt er een link naar Adam die luisterde naar de slang in het Paradijs (Genesis 3:4,6). Dan dreigt de eeuwige dood. Want zo zei de profeet het toch? ?De ziel, die zondigt, die zal sterven? (Ezechiël 18:4).
Uitzichtloos! Dat dacht Martha misschien wel, toen haar broer Lázarus was gestorven. ?Als U er maar geweest was, Heere Jezus, dan zou hij vast niet zijn gestorven?, zei ze. De Zaligmaker antwoordde: ?Uw broer zal weer opstaan? (Johannes 11:23). ?Ja, dat weet ik wel?, zei Martha. ?Straks, in de opstanding op de laatste dag? (Johannes 11:24). Was Martha werkelijk hopeloos? Of gloorde er toch iets van een heilige geloofsverwachting in haar hart? Want de Heere Jezus zei: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? En even later vroeg Hij bovendien: ?Gelooft gij dat?? (Johannes 11:25,26). Ze zei: Ja!
Ken je jezelf als sadduceeër? Zit er een moderne theoloog in je hart, die zich met moderne ideeën van Jezus probeert af te maken? Of vind je van binnen een farizeeër? Zoals Paulus voorheen. Heb je iets weg van Petrus. Hij verloochende Zijn Meester. De grote man huilde. Nu was het uit. Eigen schuld (Lukas 22:60-62). De opgestane Christus zoekt juist zulke zondige mensen op. Hij zegt: ?Ik ben de Opstanding en het Leven.? Geloof jij dat?
Vrijdag 13 april: Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding
1 Korinthe 15
Vers 17: ?Indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs.?
Tevergeefs! Wat is dat vreselijk woord. Een aantal mensen van de christengemeente te Korinthe, was niet zuiver in leer en leven. Jazeker, zulke discussies speelden ook bijna tweeduizend jaar geleden al een rol. Er waren leden in die gemeente die het stoffelijke verachtten. Zij zeiden: het kwaad, de zonde, zit in de stof zelf. Het gaat er om los te komen uit die stoffelijke wereld. Nou, toen vonden ze natuurlijk ook de lichamelijk opstanding van de Heere Christus niet zo belangrijk meer.
Pas op, waarschuwde Paulus: ?Indien Christus niet opgewekt is, is uw geloof tevergeefs? (1 Korinthe 15:17). Christelijk geloof staat of valt met Christus? opstanding! Als Christus niet is opgestaan, is je geloof misleidend, zonder grond. Dan ben je verloren (1 Korinthe 15:18). Je verzint maar iets. Dan is je geloof leeg, doelloos, dwaas. Mogelijk dacht Paulus aan Jezus? woord ?tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn? (Matthéüs 15:9). Of aan een van zijn brieven: ?Als de rechtvaardigheid door de wet is, is Christus tevergeefs gestorven (Galaten 2:21).
Twijfel aan Christus? opstanding is menselijk. De sadduceeën geloofden niet een opstanding van doden. Al toen de Heere Jezus Zelf nog door het land liep, kwamen er van die sadduceeën naar Hem toe met gemene strikvragen (Matthéüs 22:23). Dat ongeloof in de opstanding der doden manifesteerde zich om te beginnen reeds met leugens. De soldaten die op wacht gestaan hadden bij het graf van Jezus kregen opdracht van de Joodse ouderlingen ?nota bene!? om rond te vertellen dat Jezus? lijk was gestolen (Matthéüs 28:11-15).
Twijfel aan Christus? opstanding is gevaarlijk. Mensen kunnen er niet meer van loskomen. Ruim twintig jaar geleden zat op zondagavond in Moskou een journalist van een christelijke krant aan tafel met drie Nederlandse theologen. Het was een poosje na Pasen. De geleerde dominees ?twee mannen en een vrouw? hadden allen het geloof in Christus? opstanding prijsgegeven. De krantenjongen kon z?n mond niet houden. Eén van die theologen antwoordde, bijna jaloers: Houd er aan vast, als je dat nog kunt!
Tevergeefs! Dat kan tot een kwellende klank worden, die je geest bezet. Je kunt het woord niet meer kwijt raken. En tegelijk veroordeelt het je. Zo kan de duivel mensen kwellen. Maar het staat vast! ?Ik ben de Opstanding en het Leven? (Johannes 11:25).
Zaterdag 14 april: Wedergeboren door de opstanding van Jezus Christus
1 Petrus 1
Vers 3: ?Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.?
De Heere Jezus zei tegen Nicodémus: Je moet opnieuw geboren worden (Johannes 3:3). De Dordtse Leerregels noemen wedergeboorte een bovennatuurlijk werk van God. Jezus zei: dat nieuwe leven wordt verwekt door God de Heilige Geest (Johannes 3:6). Kenmerkend voor die wedergeboorte is, dat je God lief krijgt (Johannes 21:17). Je durft het nauwelijks hardop te zeggen. Toch kun je Hem niet meer missen. God kwijt zijn is erger dan de dood. En je probeert ook de zonde uit te roeien. Ze doen God verdriet. Toch gloort er hoop in je hart (Romeinen 5:5).
De apostel Petrus was wedergeboren. Hoe kwam hij daartoe? ?Door de opstanding van Jezus Christus uit de doden? (1 Petrus 1:3). God had in het Paradijs tegen Adam en Eva gezegd: Je mag niet eten van de vrucht van de boom van de kennis des goeds en des kwaads. Als je dat toch doet zul je ?de dood sterven? (Genesis 2:17). Dat wist Petrus. Zo tekende ook Paulus de situatie, de staat waarin elk mens verkeert. ?Wij waren dood door de misdaden?, schreef hij. Maar ?God heeft ons in Zijn barmhartigheid levend gemaakt met Christus? (Eféze 2:5).
Hoe gebeurde dat? Mensen verdienen straf van God vanwege de zonde. Maar de Heere Jezus stierf als Plaatsvervanger voor zondaren. Door Hem is weer vrede mogelijk met God. Hij gaf Zijn leven als (ver)losgeld voor velen (Markus 10:45). Toen dat zware werk verricht was, wekte God Jezus op uit de dood. En mèt Hem wekte God ook al degenen op voor wie Jezus de straf had gedragen. ?U heeft Hij méde levend gemaakt? schreef Paulus (Eféze 2:1). De opgestane Jezus Zelf begon dat nieuwe leven, die genade uit te delen (Psalm 68:19).
Dus die wedergeboorte is niet iets dat je zelf organiseert. Jullie hebben Mij niet uitverkoren, maar Ik heb jullie uitverkoren, zei de Heere Jezus (Johannes 15:16). De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat een mens wordt wedergeboren door het geloof. Maar echt geloof is dan toch weer een gave van God (Eféze 2:8). Petrus wist heel goed dat hij dat niet had verdiend. Toch vormde de uitverkiezing voor hem geen muur, maar een poort (1 Petrus 2:9). Hij barstte los in een blijde jubel: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus en geloofd zij Zijn barmhartigheid.
Zondag 1 april?
Zelfs voor iemand die opzettelijk een moord pleegt? Numeri 35:19-31 ?Gij zult geen verzoening nemen voor de ziel van de doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.??
?
Verzoening? Voor iemand die volgens een vooraf beraamd plan een moord pleegt? Nee, natuurlijk niet! Toen God na de zondvloed een verbond maakte met Noach, zei Hij al: Wie het bloed van een mens vergiet, zo iemand moet sterven. Omdat hij in zijn naar Gods beeld geschapen naaste eigenlijk God Zelf heeft aangetast (Genesis 9:6). Ook in Israël gold later dat wie met opzet een moord pleegde, de doodstraf kreeg. De bloedwreker, doorgaans een familielid van de vermoorde man of vrouw, was verplicht de dader te doden (Numeri 35:31).?
?
Is het geen vreemde uitdrukking? ?Gij zult geen verzoening nemen??. Mozes hanteerde met dat woord ?verzoening? een begrip dat ook werd gebruikt voor het loskopen van slaven. Je zou kunnen zeggen: de (ver)losprijs, het losgeld. Maar voor de man of vrouw die opzettelijk iemand had gedood, was die verzoening niet mogelijk. Mohammed dacht daar anders over. Hij vond dat je bloedwraak wel kon afkopen. Volgens de koran, kan iemand, zelfs als er sprake was van moord met voorbedachten rade, dat met geld goed maken. (Sura 2:178,179).?
?
Het kon gebeuren dat iemand de dood vond, omdat zijn buurman onopzettelijk slordig handelde. Die buurman mocht naar één van de zes vrijsteden vluchten (Numeri 35:11). Die stad vormde een beeld van de verzoening door het werk van de komende Messias, de Heere Jezus Christus. Maar het was in Israël verboden om met geld, met steekpenningen of zoiets, een doodstraf af te kopen. De rechter mocht geen boete opleggen om iemand op die manier in plaats van de doodstraf vrijuit te laten gaan. De opzettelijke doodslager moest sterven.?
?
Toch mocht er ooit zo?n moordenaar naar de hemel. Iemand die opzettelijk een moord pleegde? Hij beleed althans zelf: Het is rechtvaardig dat wij, op de heuvel, voor straf aan het kruis hangen (Lukas 23:41). Toen hij z?n zonde beleed en vergeving vroeg, schonk de Heere Jezus hem nog veel meer dan het tijdelijke, maar zelfs het eeuwige leven (Lukas 23:43).?
?
Hoe was dat nou toch mogelijk? Omdat de Heere Jezus Zelf de (ver)losprijs, de schuld van die moordenaar betaalde. ?De Zoon des mensen is gekomen om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen? (Matthéüs 20:28). Ondanks Mozes? in Gods opdracht geschreven woorden dat een opzettelijke doodslager de doodstraf krijgt. Dat is nou pure genade!?
Maandag 2 april?
?Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk? Romeinen 3:19-28 ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening.??
?
Verzoening? Hoezo? God schiep de mens toch naar Zijn eigen beeld? Goed! (Genesis 1:26, 31). Ja, maar Eva en Adam waren God ongehoorzaam. Zij luisterden naar de slang en de duivel. Zij aten verboden vrucht (Genesis 3:4,6). Zij gedroegen zich goddeloos (Romeinen 1:18). Zo haalden zij Gods toorn over zich heen. De dood! (Genesis 2:17). Goddeloze mensen hebben geen vrede (Jesaja 48:22). Die onvrede kan maar op één manier worden bijgelegd. Door Jezus Christus, Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:25).?
?
Toen Paulus het woord verzoening gebruikte, bedoelde hij dat de verhouding tussen God en alle mensen ?ook het nageslacht van Adam en Eva? door de zonde zeer diep is verstoord. Van ons, mensen, geldt, schreef de apostel, dat wij van nature ongehoorzaam en onwijs zijn. Wij dienen eigen genot, lusten, verleidingen. Het is zo erg, dat wij God en elkaar haten (Titus 3:3).?
?
Paulus gebruikte in de proclamatie van ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:25) een woord dat duidt op genadig zijn, iemand vriendelijk stemmen. Alleen door geloof in Christus valt weer vrede bij God te vinden (Romeinen 5:1). Elders typeerde hij ?t middel tot verzoening als rantsoen, (ver)losgeld. Daarmee valt een openstaande rekening, ?n schuld te betalen. Zo gaf de Heere Jezus Zijn ziel tot een rantsoen voor velen (Markus 10:45).?
?
Wanneer vind je dat nou aantrekkelijk? Ja, natuurlijk als het een levende werkelijkheid voor je wordt, dat de toorn van die goede God, die je diep in je hart lief hebt, over je heen gehaald hebt. De dood! (Genesis 2:17). Als je gaat beseffen dat je zelf de openstaande rekening van de zondeschuld aan God niet kan betalen. Dat je iemand nodig hebt die je loskoopt en je zo bevrijdt van het verderf (1 Petrus 1:18).?
?
Paulus schreef aan de christenen in de gemeente te Rome en van alle tijden: Er is genade en verlossing verkrijgbaar bij ?Christus Jezus? Welke God voorgesteld heeft tot een verzoening? (Romeinen 3:24,25). De apostel begeerde Christus in al Zijn heerlijkheid aan te wijzen, uit te stallen als een geschikte Zaligmaker voor zondaren. Oudtestamentisch gezegd: ?Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk? (Hooglied 5:16). Of leerde je nog nooit je zonden kennen? Dan moet je ook bij Hem zijn. Hij kan je alles leren.?
Dinsdag 3 april?
Ben jij, net als Asaf, een voorbidder? Psalm 79 ?Red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.??
?
Juda keerde terug naar de oude, heidense goden (Jeremia 25:6). Zoals je nu via internet weer bij Donar en Wodan terecht kunt. Juda maakte God boos, want het hield zich niet aan Gods wet en verbond (Jeremia 25:8). Zoals de doorsnee Nederlander niets meer weet over Willem van Oranje en zijn vast verbond met ?de Potentaat der potentaten?. Koning Manasse was een moordenaar (2 Koningen 24:4). Koning Jojachin had de zonde liever dan God. Bestaat er geen overeenkomst tussen het volksleven van Juda en dat van onze tijd??
?
De HEERE zei: voor straf stuur Ik Nebukadnezar. Die verbrandde de tempel en maakte Jeruzalem met de grond gelijk (2 Koningen 25:9,10). Dat gebeurde rond 586 voor Christus. Het was een vreselijke, zondige tijd. Toch waren niet álle ambtsdragers huichelaars. Let eens op Asaf. Misschien een nakomeling van de levitische zanger Asaf die in de tijd van David leefde (1 Kronieken 16:5). Hij barstte uit in een hartstochtelijke klacht. ?O God, heidenen zijn gekomen in Uw erfenis? (Psalm 79:1).?
?
Asaf deed meer. Hij vroeg vergeving. Als wij tot God bidden, betreft dat doorgaans ons eigen leven. Ik houd de Heere regelmatig een verlanglijstje voor. Hopelijk belijd jij ook je zonden. Maar Asaf bad niet alleen voor zichzelf. Hij bleek voorbidder voor het hele volk. ?Gedenk ons de vorige misdaden niet? (Psalm 79:8). ?Red ons, en doe verzoening over onze zonden? (Psalm 79:9). Hij deed een beroep op ?de eer van Gods Naam?, op Zijn verbond. Want zouden heidenen de spot niet steken met de HEERE, als Hij Juda zou laten overwinnen??
?
?Doe verzoening over onze zonden?, bad Asaf. ?Wij verdienen het niet. Maar wilt U, HEERE, toch weer goed op ons zijn.? Hij smeekte om verzoening, om Gods genadige gezindheid over het naar Zijn Naam genoemde volk. Zoals Jeremia dat ook deed: ?O HEERE! Wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet? (Jeremia 14:9). En zoals David zong: ?Uw aangezicht in gunst tot mij gewend, schenkt mij in ?t kort verzadiging van vreugde? (Psalm 16:6). Dan kan een volk verder, zelfs als de stad verbrandt (Habakuk 3:17,18).?
?
Bestaat er overeenkomst tussen het volksleven van Juda en dat van onze tijd? Voel jij je soms ook zo zelfvoldaan en tevreden? Of ken je net als Asaf de schuld. Mag je voorbidder zijn??
Woensdag 4 april?
Het middel tot verzoening met God is beschikbaar. 2 Korinthe 5:11-21 ?Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.??
?
De theoloog Anselmus (1033-1109) besefte dat de relatie tussen God en mens door de schuld van de zonde volslagen is verstoord. Hij schreef een boek met als titel: ?Waarom werd God mens?? Daarin zei hij dat Christus? kruisdood als plaatsvervangend offer voldoende was om de geschonden verhouding met God (Romeinen 1:32) te herstellen (Romeinen 3:24,25).?
?
Moderne theologen willen daar niks van weten. Op Goede Vrijdag 1959 zei de Nederlander P. Smits over de verzoening: ?Geef mijn portie maar aan Fikkie?. Hij protesteerde tegen de gedachte dat een Ander zijn schuld zou moeten dragen. In 1963 publiceerde de Engelsman John Robinson het boek ?Eerlijk voor God?. Hij zei dat God Zijn Zoon niet strafte in de plaats van zondaren. In 1965 schreef de Duitse theologe Dorothee Sölle het boek ?Plaatsbekleding?. Volgens haar is het niet waar dat Christus ?iets voor ons zou opgeknapt hebben bij God?.?
?
?Ja?, zeg jij, ?maar hoe zit dat dan? God heeft door Christus ?de wereld met Zichzelf verzoend?. (2 Korinthe 5:19). Dus wij gaan allemaal naar de hemel!? Nee! Allereerst: Paulus schreef over ?de wereld?. Na de zondeval lag die schepping onder de vloek (Genesis 3:17). Johannes zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 21:1). Dat valt niet los te maken van Christus? offer. Vervolgens: voor jou en mij blijft de cruciale vraag, of wij wedergeboren zijn (Johannes 3:3). Ontvingen jij en ik van God een waar geloof (Eféze 2:8)??
?
Je zegt: ?Maar Paulus zei dat God ?hun zonden hun niet toerekenende.? Dus dat betreft mensen?? Dat klopt. Maar Paulus gebruikte geen voltooide tijd. Hij hanteerde niet een Grieks woord dat aangaf dat God de hele wereld op dat moment al zonder tegenprestatie in Z?n gunst en genade had hersteld. De apostel schreef dat Christus de zonde had overwonnen. Daardoor kan Hij voortdurend fungeren als het (ver)zoengeld, het (ver)losgeld ter wegneming van de schuld van zondaren. Hij is het middel voor ieder die in Hem gelooft (Johannes 3:15).?
?
Jezus zei ook Zelf: ?Het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft? (Johannes 6:33). Maar als alles al ?voor elkaar? was, had Paulus niet hoeven schrijven dat God ?het woord der verzoening in ons heeft gelegd? (2 Korinthe 5:19). Dan had hij immers niet meer hoeven evangeliseren.?
Donderdag 5 april?
Een unieke Gezant brengt uitkomst. Job 33:14-26 ?Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.??
?
Is dat woord ?verderf? voor jou ook zo?n cliché, zo?n woord dat je eigenlijk niet veel meer zegt? Natuurlijk vloek je niet. Dat doet God verdriet. Mensen die Gods Naam wel misbruiken, denken er doorgaans helemaal niet bij na. Zij spreken een vloek uit als een soort stopwoord. Maar wat zegt het jou nog, als jij de woorden ?verdoemelijk? en ?verderf? over de rand van de kansel hoort komen? Iets? Niets? Terwijl toch dat woord verderf iets vreselijks is. Wie geen weet heeft van verzoening met God, daalt neer in het verderf (Job 33:24).?
?
Job kende ellende. Van hem gold: ?De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis? (Psalm 116:3). Hij was vogelvrij. Hem wachtte verderf, de machten van de dood, de ondergang, de vertering. Hij zei: ?Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!? (Job 17:14). Job was levend al bijna gestorven. En als het woord verderf in het Oude Testament ter sprake komt, ligt doorgaans de nadruk op eigen schuld.?
?
Had Job schuld? Z?n drie ?vrienden? zeiden dat hij een huichelaar was (Job 20:5). ?Je hebt de armen van hun kleding beroofd, de hongerigen geen eten gegeven, de weduwen slecht behandeld? (Job 22). Dat raakte kant noch wal. Toch toonde Job berouw. Voor de heilige God kan nietig mensje immers nooit bestaan (Job 42:6). Job steunde te veel op zijn eigen gerechtigheid (Job 33:9). Maar Jobs echte vriend, Elihu, bracht een unieke Gezant ter sprake (Job 33:23). De Engel des HEEREN. Christus, de pleitbezorger. God acht Zijn (ver)losprijs aanvaardbaar. ?Ik heb verzoening gevonden? (Job 33:24).?
?
Job wist wat ellende was. Hij had geen andere verwachting dan het verderf. Toch kwam er een moment in zijn leven, dat hij door het geloof uitbrak in de jubel: ?Ik weet, mijn Verlosser leeft? (Job 19:25). Hoe was dat mogelijk? De grote Lijder van het Nieuwe Testament, Jezus, had gebeden ?Vader, verlos Mij uit dezer ure? (Johannes 12: 27). Hij bad dat ook als Plaatsvervanger voor Zijn volk. Zodat degenen die in Hem geloven verzoening vinden. Maar als het begrip ?verderf? voor jou een term blijft, zo?n woord dat je niet veel meer zegt, wat moet je dan met verzoening doen??
Vrijdag 6 april?
Een Voorspraak tot verzoening. 1 Johannes 2:1-6 ?Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.??
?
Het woord kinderkens, kindertjes, komt wel zeven keer voor in de eerste brief van Johannes. Over wie ging het? Waren dat louter naamchristenen? Mensen die er genoeg aan hadden één of twee keer naar de kerk te komen? Die in de week volgens het schema van de wereld leefden? Dat ligt niet voor de hand. De apostel richtte de brief aan z?n geliefden. Hij noemde ze kinderen Gods (1 Johannes 3:2). Zo zat de Heere Jezus ook met Zijn discipelen aan het avondmaal. Toen zei hij: ?Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u?? (Johannes 13:33).?
?
De apostel schreef al in zijn Evangelie: ?Zovelen Hem aangenomen hebben? ?dat betreft dus Jezus? ?die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden? (Johannes 1:12). Dat is niet zomaar als mensje het eerste levenslicht zien, maar opnieuw, ?uit God geboren? worden (Johannes 1:13). Dat wordt concreet in de geschiedenis van Nicodémus. Die zei: ?Zeg, Rabbi, wij weten??. Maar de Heere Jezus sneed zijn verhaal abrupt af: ?Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien? (Johannes 3:3).?
?
Tot die opnieuw geboren kinderkens zei Johannes: Als je toch gezondigd hebt, moet je niet wanhopen. Je moet niet aan Gods genade twijfelen. Want ?wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige? (1 Johannes 2:1). Een Voorspraak, dat is iemand die voor een schuldige pleit. Christus is bovendien de Rechtvaardige. Hij Zelf had geen zonde. Zo kan Hij de schuld van schuldigen betalen. De apostel Paulus zei van die Voorspraak: ?Die ook voor ons bidt?? (Romeinen 8:34). De auteur van de Hebreeënbrief schreef: ?Hij kan volkomen zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden? (Hebreeën 7:25).?
?
Christus is ?een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld? (1 Johannes 2:2). Johannes gebruikte voor verzoening een woord dat duidt op: iemand vriendelijk, genadig stemmen. Hij zei niet dat Christus de (ver)losprijs voor alle mensen uit de hele wereld betaalde; dat Hij hen daadwerkelijk allemaal met God verzoende. Maar je moet wel bij Hem zijn om het weer goed te krijgen met de allerhoogste, heilige God. Als je dat door genade mag ervaren, wordt het pas echt een Goede Vrijdag.?
Zaterdag 7 april?
Verzoening voor heidenen; dankzij Joods ongeloof. Romeinen 11:1-15. ?Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden???
?
De apostel Paulus vernam veel nieuws ?goed en kwaad? van de christengemeenten uit verre landen. Paulus? schreef in zijn brief aan Korinthe dat ?mij dagelijks de zorg van alle gemeenten overvalt? (2 Korinthe 11:28). Zo was er onder de christenen in Rome soms sprake van onenigheid. Er waren christenen lid die oorspronkelijk bij de heidenen hoorden, dus afgodendienaars waren geweest. En christenen uit de Joden. Ze hadden een beetje mot af en toe. Over het onderhouden van ceremoniële wetten en de besnijdenis en zo.?
?
Ruzie in Rome. Paulus hoorde er van. Die onenigheid vormde één van de onderwerpen in de brief die hij schreef aan de christenen in die stad. Kort samengevat: ?Hou op om met ruzie maken. De Joodse Messias is er voor Jood én heiden? (Romeinen 10:4,12). Dus een heiden hoeft niet eerst door allerlei ceremoniën en besnijdenis een halve Jood te worden. Je ziet hoe een twist, soms goed gevolg heeft. Wij danken de Romeinenbrief enigermate aan de schermutselingen in de kerk te Rome.?
?
Paulus vertelde dat God Israël niet had verstoten (Romeinen 11:1). Hoewel Israël weigerde in de Messias te geloven (Romeinen 10:21). Dat is erg. En toch! De verharding van de (Romeinen 11:15) bracht genade mee voor de gojim, voor de volkeren, voor heidenen, zoals jij en ik eigenlijk van geboorte zijn. Israëls weigering in de Messias te geloven, ging gepaard met Gods permissie om heidenen verzoening te verkondigen om Jezus? wil (Romeinen 11:12).?
?
Was het toen uit met Gods verbond met Israël? Nee! Die verharding, die verwerping van de Messias, schreef Paulus, duurt niet eindeloos. Als ?de volheid der heidenen zal ingegaan zijn? zullen de vroeger afgebroken takken, Joden, weer ingeënt worden in de olijfboom (Romeinen 11:23-25). Dus wees maar niet al te brutaal tegen de Joden, zei Paulus tegen de christenen uit de heidenen (Romeinen 11:18). God heeft ze absoluut niet voorgoed afgeschreven. Al is het zeker waar dat iedereen ?of hij nou Jood of heiden is? geloof en wedergeboorte nodig heeft.?
?
Wat een wonder! Toen aan aantal Joden voor het paleis van Pilatus stond te schreeuwen: ?Kruis Hem!? opende dat de weg om het Evangelie aan heidenen te gaan preken. En wat een wonder dat er weer Joden tot geloof in de Messias komen! Het is ?leven uit de doden? (Romeinen 11:15). ?
Maandag 25 maart: Richteren 5:1-12 Lopen op kromme wegen.
Richteren 5:6: ?In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.?
Debóra stuurde Barak op pad. Zij was een profetes. Zij deed een uitspraak in rechtzaken. Normaal gesproken gingen Israëlieten met onoplosbare geschillen naar priesters en rechters. Zo had God het geboden. (Deuteronomium 17:8-9). Maar de Israëlieten deden dat ?wat kwaad was in de ogen des HEEREN? (Richteren 4:1). Het feit dat de priesters en de rechters, mannen dus, in gebreke bleven, vormde een signaal dat het er met de dienst van God niet best voor stond. Nu verving een vrouw, Debóra, die mannen.
God tuchtigde Israël door de terreur van koning Jabin en de Kanaänieten. Maar Barak, nee, de HEERE versloeg hun leger (Richteren 4:15). Eerst kreeg al Debóra de man Barak met moeite op pad. Nu doodde een andere vrouw, Jaël, die Sísera, de vluchtende generaal van de Kanaänieten (Richteren 4:21). Debóra ging zingen. Barak zong ook (Richteren 5:1). Mogelijk in beurtzang. Bezongen zij de heldendaden van de soldaten van Zebulon of Nafthali? Ja, maar vooral de grootheid van de HEERE (Richteren 5:2-4). Van wie zingen jij en ik?
De zangers zijn heel concreet. Samgar was de laatste richter geweest (Richteren 3:31). Maar zowel voor Samgars optreden, als in de tijd van Debóra, Barak en Jaël ?hielden de wegen op? (Richteren 5:6). De officiële rechters hadden hun biezen gepakt. Zij verzaakten hun plicht. Op de grote verkeer- en karavaanwegen was niemand veilig. Rovers, straatschenders, plunderende Kanaänieten hadden vrij spel. Als mensen van de ene stad of het ene dorp naar ?t andere reisden, kozen ze voor sluippaadjes, kronkelende omwegen. Om vijanden te ontgaan.
Zelfs mensen die God nog hoog hadden, zonk de moed in de schoenen. ?Zeg Barak?, zei Debóra, ?jij moet die Kanaänieten verslaan. God zal hen in jouw hand geven? (Richteren 4:7). Maar Barak zag het niet zitten. ?Alleen als jij meegaat?, zei hij. Toch gaf de apostel hem een plaatsje onder de geloofshelden (Hebreeën 11:32). Tenslotte luisterde hij toch naar de God van Debóra.
Waarom gingen de Israëlieten over kromme wegen? Ze waren bang. Ze hadden geen geloof, geen vertrouwen op God. Dat kon ook niet. Want de meesten deden ?wat kwaad was in de ogen des HEEREN?. Wie bewust, actief zonde bedrijft, kan geen beroep op God doen om hulp. Dus dan probeert zo iemand zichzelf te redden. Zeg, loop jij ook op kromme wegen?
Maandag 26 maart: Jesaja 27 De slang verliest.
Jesaja 27:1: ?Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de leviathan, de langwemelende slang, ja, de leviathan, de kromme slomme slang.?
Kijk eens naar de laatste vier koningen van Juda: Jóahaz, Jehójakim, Jehójachin, Zedekía (2 Koningen 23:32; 2 Kronieken 36:5-12). Zij deden ?dat kwaad was in de ogen des HEEREN?. De priesters en het volk leefden in dezelfde zonden als de heidenen (Kronieken 36:14). Toen was de maat vol. God stuurde Nebukadnezar. Die voerde het volk naar Babel. Voor straf. Maar God ging Israël desondanks verlossen uit de ballingschap. Is dat geen wonder?
God ging de leviathan bezoeken. Hij ging de kromme, slomme slang straffen (Jesaja 27:1). Daarmee voorzei de profeet Jesaja de ondergang van Assyrië en Babel. De Heere ging dat sterke wereldrijk verslaan met een hard, groot, sterk zwaard. De Meden en Perzen zouden Babel vernietigen, zoals God ooit Sodom en Gomorra had omgekeerd (Jesaja 13:1,17). Jesaja zei eigenlijk nog meer. Hij verwoordde zelfs de uiteindelijke ondergang van de duivel, van alle vijanden van God en Zijn volk.
Jesaja gebruikte het beeld van de leviathan. Hij knoopte aan bij de heidense religie. In Babel werden zondvloedverhalen verteld. Anders dan in de Bijbel. Goden bleken net zo bang als mensen. De Babyloniërs kenden verhalen over gevaarlijke monsters, zoals de leviathan. Die slang was langwemelend, dat duidt op snelheid. Het lijkt een beeld te zijn van de snelstromende Assyrische rivier de Tigris. Het monster heet ook krom, slom. Dat duidt op kronkelen. De rivier de Eufraat kronkelde wat trager door Babel.
Juda had gezondigd. De HEERE liet Jesaja desondanks vertellen dat Hij dat volk uit Babel zou gaan verlossen. Het zou de leviathan niet lukken Gods volk, Israel, uit te roeien. En zo beschreef Johannes veel later dat het een ander monster, de draak evenmin gelukte Christus, de Zaligmaker ten onder te brengen (Openbaring 12: 5). God laat het de oude slang, de duivel, de satan ook na Christus? komst niet winnen (Openbaring 20:2).
Als jij op kromme wegen gaat, als er geen sprake is van Godsvertrouwen, van hoop op de Allerhoogste (Richteren 5:6), heb je niet veel aan die wetenschap. Of zie je op tegen al wat de duivel, de zonde en de wereld in jouw leven probeert klaar te maken. Ben je bang voor de invloed van het kwaad. Zucht je onder de schuld van ongeloof? Heb je God nodig? De duivel en het kwaad gaan het ooit verliezen.
Dinsdag 27 maart: Psalm 38:1-10 God kan iemand helpen die krom is van verdriet.
Psalm 38:7: ?Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer neergebogen; ik ga de ganse dag in het zwart.?
Waarom wist David zich krom? Gods pijlen hadden hem getroffen. Gods hand drukte hem terneer. (Psalm 38:1). Hij had geen rust. Onophoudelijk kwelde hem de pijn. Hoe kwam hij aan die ziekte en narigheid? ?Vanwege Uw gramschap? vanwege mijn zonde? (Psalm 38:4). Iemand zegt: ?Kom, David, je moet gewoon geloven man, dan is alles opgelost.? Maar als God je door Zijn Woord en de Heilige met je zonden confronteert, kun je jezelf echt niet verlossen door ?gewoon? te geloven.
Bovendien manifesteerden zich Davids vijanden. Zij haatten hem. Om valse oorzaken. Misschien herken het. Dat je bijkans ziek wordt van mensen die je dwars zitten, je psychisch pijnigen. Zij werken voordurend met de ellebogen om carrière te maken. Of je chef zegt vandaag zegt dat je je positiever moet opstellen. Maar een jaar later verwijt hij je dat je teveel de puntjes op de i zet. Je zegt: ?Dat komt toch in een christelijk bedrijf niet voor?? Nou en of! Ook christenen zijn van nature egoïstisch.
David was krom. Dat valt uit te leggen als wanstaltig, weerzinwekkend. Het woord wijst op ellende en zwaar lijden. Calvijn schreef: David ging gebukt onder de brutale trotsheid van velen. En David boog onder wat God en de mensen hem aandeden. Nou, dat ligt mij niet. Jou wel? Pakken wij niet liever ?net als Petrus in Gethsemané? het zwaard? Toch leert God Zijn volk zachtmoedigheid. Wat een les!
David was krom en ging in het zwart gekleed. Dat was onder Israël een teken van rouw (Psalm 35:14). Het kan ook duiden op rouw van het hart. En Calvijn vertaalde de Hebreeuwse woorden liever zo dat David met een zwart gezicht liep. Zijn huid werd zwart. ?Droefheid kan het gelaat der mensen vermageren en doen vervuilen.?
Ken jij David? Zucht je ook vanwege je zonden. Wordt je ziek van mensen die je treiteren. Zit je net als David neergebogen, met een gebogen hoofd, ineengedoken, als uiting van droefheid en boete. Mogelijk ook ten gevolge van pijn. Als dat jou treft, doe dan net als David. Hij bad: ?HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen? (Psalm 39:12,22,23). David erkende dat God rechtvaardig was. Zijn gebed was geen klacht van ongeduld. Maar hij wist dat alleen God hem kon helpen.
Woensdag 28 maart: Jesaja 40:1-11 God maakt recht wat krom is.
Jesaja 40:4: ?Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht gemaakt worden.?
Wat was er veel krom in de tijd van Jesaja. Juda ging net als Israël over kromme wegen (Richteren 5:6). De meeste Judeërs kenden geen oprecht geloof. Zij waren onbekeerd. Jesaja profeteerde in de tijd van koning Uzzia, Jotham en Achaz. Die eerste twee koningen bevorderden wel de dienst van de HEERE. Maar het volk bleef op ?de hoogten? offeren. (2 Koningen 15:4,35). Heus niet alleen aan God. Ook aan afgoden. En die heidense afgodendienst kwam tot een hoogtepunt tijdens de regering van Achaz (2 Koningen 16:3).
Toen voorzag Jesaja dat de leviathan kwam. Als straf. De kromme slomme slang, Babel, zou Juda in z?n greep krijgen (Jesaja 27:1). Individuele Judeërs waren daar verdrietig over. Zoals David. ?Ik ben krom geworden? (Psalm 38:7). Maar de profeet voorzegde zelfs hoe God uitkomst zou geven. Troost! (Jesaja 40:1). Toen al! Nog voor het volk definitief naar Babel was weggevoerd! Een echte profeet krijgt van God inzicht in de toekomst.
De woorden van Jesaja duiden op terugkeer van Juda naar Israël, dwars door een woest gebied. ?Een stem des roependen in de woestijn? maakt recht in de wildernis een baan voor onze God!? (Jesaja 40:3). Maar tevens gloort al in de boodschap van profeet de glans van de komende Messias. De evangeliën tekenen hoe Johannes de Doper preekte in de woestijn en Jezus aanwees als Lam Gods (Matthéüs 3:1; Johannes 1:29). ?Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja? (Lukas 3:3,4).
Johannes de Doper wees dus in zijn preken Jezus van Nazareth aan als Zaligmaker. Nu pas echt in alle volheid zouden alle dalen verhoogd worden (Jesaja 40:4): de kloof tussen God en een zondaar was niet langer onoverbrugbaar. Want het bitter lijden en sterven van Jezus dempt de diepste valleien. Alle bergen zouden worden vernederd: hoogmoedige schijngelovigen zagen zich ontmaskerd en tot kennis van zonde en schuld gebracht. Wat krom is werd recht: grappenmakers en deugnieten werden vernieuwd tot eenvoud en oprechtheid.
Wat een rijke boodschap van God voor die mensen in Babel. Troost! En voor ons in 2012. Christelijke structuren vallen weg. Tegensprekers maken de Johannes de Dopers van deze tijd monddood. Maar daarmee is alles niet voorgoed hopeloos. De Zaligmaker kwam in Bethlehem. Als hij opnieuw komt, als Rechter, is het definitief uit met alles wat krom was.
Donderdag 29 maart: Prediker 7:10-17 Niemand kan recht maken wat God krom maakte.
Prediker 7:13: ?Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft??
Misschien zong jij afgelopen zondag Psalm 145:6 in de kerk: ?De HEER? is recht in al Zijn weg en werk.? Waarschijnlijk dacht je toen niet aan de tekst: ?Wie kan recht maken, dat God krom heeft gemaakt?? (Prediker 7:13). Nu ik je daarop opmerkzaam maak, zeg je: ?Hoe kan dat nou? De HEERE is recht, maar toch maakt Hij iets krom! Ik heb altijd van m?n ouders en van de dominee gehoord dat God Zichzelf in de Bijbel niet tegenspreekt. Maar staan er dan tóch tegenstrijdigheden in de Bijbel?? Nee!
De Bijbel is geïnspireerd, door de Heilige Geest ?voorgezegd?, ingegeven aan de diverse bijbelschrijvers. En de hoge God spreekt Zichzelf niet tegen. Dat woordje ?recht? in Psalm 145 staat voor rechtvaardig: ?De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen? (Psalm 145:17). Dus in alles wat Hij doet. Hij is eerlijk. Maar de Prediker geeft in de woorden ?wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?? aan hoe mensen soms Gods leiding in ?t leven ervaren: als krom en raadselachtig. Jij, ik, wij begrijpen vaak niet waarom God dingen doet, of toelaat.
Je denkt aan Job. God liet toe, dat die man, ?oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad? (Job 1:1) in de allerdiepste ellende terecht kwam. Z?n zeven zonen en drie dochters werden in één keer vermoord (Job 1:15). Z?n hele bezit ging naar de knoppen. Hij werd ziek (Job 2:5). Z?n vrouw spoorde hem aan zelfmoord te plegen (Job 2:9). God liet dat uitdrukkelijk toe (Job 1:12; 2:6). Krom! Toch? Raadselachtig!
Dat is vaak onze ervaring. Wat denk je van die dominee op Cuba? Hij was nog geen veertig jaar, had een lief gezin. Hij had moeite met het communistisch bewind. Een agressieve ziekte kwelde hem. Hij wist: Binnenkort ben ik volledig invalide. Deed hij zielig? Nee. Zijn getuigenis luidde, kort en goed: ?Romeinen 28:8.? Ik wist wat daar staat. ?Wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.?
Zo was het ook met Job. Midden in de kromme ellende van zijn levenslot leerde hij belijden: ?Ik weet: mijn Verlosser leeft? (Job 19:25). Dat is geloof. Dat is genoeg. Zelfs als alles krom schijnt. Wie Jobs woorden na mag zeggen, heeft trouwens geen behoefte meer recht te maken wat God krom maakte.
Vrijdag 30 maart: Prediker 12:1-8 Wacht niet met God zoeken tot je krom bent van ouderdom.
Prediker 12:3: ?Wanneer de wachters des huizes zullen beven, en de sterke mannen zichzelf zullen krommen??.
?Denk aan je Schepper in de dagen van je jeugd?. Het is zo?n gemeenplaats geworden. Gauw uitgesproken. Een kreet. Een slogan. Een vast gezegde. Het doet je maar weinig meer. Toch komen ze, de kwade dagen, de jaren zelfs. Jaren waarvan je misschien wel zult zeggen: ?Ik heb geen zin meer in het leven? (Prediker 12:1). O, dus dan moet je maar kiezen voor euthanasie? Nee! Gij zult niet doodslaan (Exodus 20:13). God veroordeelt moord (Romeinen 2;12). Wie dat doet, weet dat de kwade dagen zonder Gods genade eeuwig zullen duren.
Luister liever naar wat God adviseert. Waartegen Hij je waarschuwt. Waartoe Hij je oproept. De Heere zegt: Je mag blij zijn. Maar denk er aan dat je ooit voor Mij moet verschijnen. Om rekenschap af te leggen (Prediker 11:9). Dus leef steeds in de wetenschap dat God je gedachten kent, je woorden hoort, je daden ziet. Want er komen kwade dagen. Dan raak je zo bezig met narigheid, dat je geen kans meer ziet de HEERE te zoeken. Dat je zo druk bent met je kwalen, dat je geen tijd meer vindt je bezig te houden met wedergeboorte, geloof, bekering.
De zon, het licht wordt duister: misschien word je blind. De wolken komen terug na de regen: de ene ellende volgt op de andere. De wachters beven: je het leven beschermende armen en handen verliezen hun kracht. De maalsters staan stil: je gebit blijkt bedorven. De deuren naar de straat gaan dicht: je wordt doof. De sprinkhaan wordt zichzelf tot last en de lust vergaat: je hebt geen eetlust en verliest je interesse in het andere geslacht. Sterke mannen zullen zichzelf zullen krommen: je benen kunnen je niet meer dragen. Je wordt volledig afhankelijk (Prediker 12:2-5).
Iemand zegt: ?Doe niet zo negatief. Houd op met die klaagzang.? Nee! Want het is realiteit. De Farizeeën dachten dat ze een nuchtere kijk hadden op de dingen. Feitelijk waren ze blind (Johannes 9:39). En jij? En ik? God kan ons de werkelijkheid laten ontdekken. Door Zijn Woord en Geest. En als er iemand wegvalt: een lieve broer, een fijne zus. Of als, zoals pas in Zwitserland, kinderen sterven bij een busongeluk. De aansporing is goed: Denk aan je Schepper in de dagen van je jeugd. Wacht niet tot je krom bent van ouderdom.
Zaterdag 31 maart: Filippensen 2:12-18 Een kromme context.
Filippensen 2:15: ?Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld.?
Ligt dat jou ook voor in de mond? ?Wat kan het mij schelen, wat andere mensen denken. Ik doe wat ik wil.? Paulus zei iets anders: Wees onberispelijk: maak geen fout, zodat mensen je moeten terecht wijzen. Toon je oprecht: eerlijk. Gedraag je onstraffelijk: zorg dat je geen door de wet ?of zelfs door de publieke moraal? als strafbaar beschouwde feiten begaat (Filippensen 2:15). De apostel schreef: Zorg dat noch christenen, noch heidenen door je gedrag geërgerd raken (1 Korinthe 10:31,32).
Iemand zegt: ?Paulus, ik ben onbekeerd. Dus ik kán helemaal niet zo goed leven.? Als de apostel nog zou leven, zou hij kunnen zeggen: ?Ja, maar je bent gedoopt. Je draagt de naam christen. Dat legt een claim op je.? Paulus adresseerde zijn brief aan ?al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn? (Filippensen 1:1). De apostel wist dat binnen die gemeente mensen rondliepen die God niet echt liefhadden. Toch sprak hij over ?kinderen Gods? (Filippensen 2:15). Dat schept verplichtingen.
Iemand anders zegt: ?Als ik eerlijk ben, heb ik niet God, maar de zonde lief. Ik praat daar niet zomaar over. Maar ik weet heel diep in m?n hart, dat dit de realiteit is.? Dat maakt het inderdaad moeilijk om Paulus? woorden ter harte te nemen. De apostel zegt immers niet alleen wat je niet moet doen. Hij heeft ook een positieve opdracht. Wees een licht in het midden van ?een krom en verdraaid geslacht?.
Krom en verdraaid: die woorden duiden op ongelovige, onwedergeboren mensen (Filippensen 2;15). Krom is dwars, niet rechtvaardig, vals, listig, tegen de draad in. Lukas gebruikte hetzelfde woord, toen hij de reactie van Petrus beschreef op de verlegen vraag van de ten einde raad zijnde luisteraars naar zijn pinksterpreek. ?Wordt behouden van dit verkeerd geslacht? (Handelingen 2:40).
Wees een licht in een kromme context, schreef Paulus. De Heere Jezus Zelf had dat al tegen z?n discipelen gezegd: ?Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken? (Matthéüs 5:16). Je zegt: ?Ja maar ik ben zelf zo zondig krom.? Als de Israëlieten (Richteren 5:6). ?Ik ben zelf zo verdrietig krom.? Als David (Psalm 38:4). Heb je dan nog nooit kunnen zingen: ?Die in de nood uw Redder is geweest??
Geplaatst op: 23-03-2012
