Meer over In gesprek

... tussen een zwakke christen en satan

Een gesprek kan veel verhelderen. De vorm van een gedachtewisseling tussen twee personen is in de kerkgeschiedenis geregeld gebruikt om zaken rondom de leer of de geloofservaring duidelijk te maken. De puritein William Perkins (1558-1602) schreef een fictief gesprek waarbij een ‘zwakke christen’, iemand die in vertwijfeling raakte, in gesprek is met de duivel. De christen verweert zich. Wellicht herken jij je hierin? Lees het dan ter bemoediging!

Satan: ‘Je verstand is vol onwetendheid en blindheid. Je hart is vol koppigheid, tegenstand en onwilligheid tegen God. Je bent helemaal ongeschikt om één goed werk te doen. Daarom heb je geen geloof. Je kunt niet gerechtvaardigd worden en evenmin aangenaam zijn voor God.’

Christen: ‘Als ik maar één druppel van Gods genade bezit en als mijn geloof niet meer is dan een mosterdzaadje (Matth. 17: 20), dan is dat voldoende. God eist geen volmaakt, maar een oprecht geloof.’

Satan: ‘Ja, maar je hebt helemaal geen geloof.’

Christen: ‘Ik heb geloof gehad.’

Satan: ‘Je had nooit waar geloof. Want vroeger, toen je volgens je eigen overtuiging geloofde, had je niet meer dan een schaduw van geloof. Een dwaze inbeelding die alle huichelaars hebben.’

Christen: ‘Ik wil mijn vertrouwen voor altijd op God stellen. Zijn vroegere barmhartigheden (liefdeblijken), destijds aan mij bewezen, versterken mij nu in mijn zwakheid. (Ps. 77: 6).
1. Hij schiep mij toen ik niets was.
2. Hij schiep mij als een mens, Hij had mij ook een lelijke kikker kunnen maken.
3.   Hij gaf mij een goedgebouwd lichaam en een goed verstand. Terwijl Hij mij ook afzichtelijk en lelijk, bezeten en geestesziek had kunnen maken.
4.   Ik werd geboren in een tijd van kennis, terwijl ik geboren had kunnen worden in een tijd van onwetendheid en bijgeloof.
5.   Ik werd geboren uit christenouders, maar God had mij ook ongelovige ouders kunnen geven.
6.   Ik had in mijn moeders buik kunnen omkomen, maar Hij heeft mij bewaard en – door Zijn voorzienigheid – zorg voor mij gedragen, en dat tot nu toe.
7. Direct na mij geboorte had God mij in de hel kunnen werpen, maar ik werd daarentegen gedoopt en ontving zo het zegel van Zijn gezegend verbond.
8. Ik had door Gods goedheid verdriet over mijn vroegere zonden en riep tot God in hoop en vertrouwen dat Hij mij wilde horen.
9. God had Zijn woord voor mij kunnen verbergen, maar ik hoorde het overvloedig verkondigen. Ik mag het begrijpen en ontving er troost uit.
10. Tenslotte, God had nú Zijn volle toorn op mij kunnen uitgieten, wat Hij niet doet. Maar genadig laat Hij mij mijn gebreken voelen, opdat ik mij verootmoedig en Hem alle eer geef voor Zijn zegeningen. Daarom is er geen reden waarom ik ongerust zou zijn, maar ik wil stil op de Heere vertrouwen en mij afhankelijk van Hem weten, zoals ik reeds deed.’

Satan: ‘Je voelt geen genade van de Heilige Geest in je, evenmin ware tekenen van geloof. Je hebt echter een levendig gevoel van de weerbarstigheid van je hart en je zedeloze en ellendige leven. Daarom kun je geen vertrouwen stellen in de dood en het lijden van Jezus Christus.’

Christen: ‘Toch wil ik hopen tegen alle hoop (Ps. 32: 1, 2 Kor. 5: 21). En hoewel ik volgens mijn eigen besef en gevoel, geloof mis; toch wil ik in Jezus Christus geloven en vertrouwen dat ik door Hem zalig zal worden.’

Satan: ‘Ook al verbleven Gods kinderen in veel benauwdheden, toch heeft niemand van hen ooit in zo’n toestand verkeerd, als waarin jij op dit moment bent.’

Christen: ‘Hierin bewijs je van jezelf dat je een leugengeest bent. Want de profeet David zegt van zichzelf dat hij onvernuftig (onverstandig) was, als een groot beest bij God (Ps. 73: 22-23). Toch vertrouwde hij juist toen op God. En Paulus werd zo gevangengenomen door de zonde, dat hij het goede niet kon doen dat hij wilde, maar het kwaad deed dat hij haatte (Rom 7: 19, 24). En zo, in grote benauwdheid van hart, verlangde hij om van deze wereld verlost te worden, zodat hij van dit verdorven vlees ontlast zou zijn.’

Satan: ‘Jij ellendige stakker, voel jij jezelf genadeloos en wil je de gedaante van een christen aannemen? En door je huichelarij God vertoornen? Toon jezelf aan de wereld, zoals je bent!’

Christen: ‘Ga weg, satan, Christus heeft je overwinnen en voor mij ten onder gebracht, opdat ik over je zou triomferen. Ik ben geen huichelaar. Want aangezien ik in vroeger tijd wat geloofsgetuigenis had, ben ik nu minder aangedaan, al schijnt het geloof weg te zijn. Zoals iemand dood kan lijken, zowel voor zijn eigen gevoel als volgens de dokter; en toch leven in zich kan hebben. Zo kan er ook geloof zijn, al blijkt dat niet altijd.’

Satan: ‘Maar je bent een mens, geheel dood in zonde. God heeft je helemaal verlaten. Hij liet je over aan mijn regering. Hij gaf mij macht over je, om je tot verdoemenis te brengen. Hij wil niet dat je nog langer op Hem vertrouwt.’

Christen: ‘Sterk mij, o goede God! Denk aan uw genadebeloften, dat U de berouwvolle wilt verfrissen en die een verbroken hart hebben, levend maken (Jes. 57: 15).’

Satan: ‘Deze beloften gaan je niet aan, die geen berouwvol noch verbroken, maar een verkeerd en koppig hart hebt.’

Christen: ‘Goede God, vergeet Uw vroegere barmhartigheden niet. Geef een goede uitkomst in deze aanvechtingen van satan, mijn vijand. En jullie, mijn broeders, die van mijn omstandigheden afweten, bidt voor mij, dat God zijn genadevol aangezicht naar mij toe wil wenden. Want dit weet ik, dat het krachtige gebed van de rechtvaardige veel vermag. (Jak. 5: 16).’

Dit is een bewerking van een samenspraak tussen de satan en een christen, vanuit het boekje ‘Hemelse vertroosting’. Teksten van William Perkins die in 1965 werden uitgegeven onder redactie van ds. J. van der Haar.

Kerkblad  22 november 2018