Meer over Thema's

Wanneer mag ik belijdenis doen?

ds. W. Pieters: ‘De Heere gebruikt Zijn Woord om tot overgave te brengen.’

Belijdenis doen, dat staat toch niet in de Bijbel?
‘Hoe vreemd kan het zijn. Jij leest niets over belijdenis doen in de Bijbel, zeg je. En ik lees er heel veel over. Om één voorbeeld te geven. Een hofdienaar van Candacé, de koningin van Morenland, is naar Jeruzalem gekomen om God te aanbidden. Wanneer hij terugreist naar huis, leest hij hardop in de boekrol van Jesaja. Hij leest hoofdstuk 53. De evangelist Filippus is door de Heilige Geest naar hem gestuurd en hoort die ‘minister van financiën’, zoals we hem wel mogen noemen, lezen over het Lam dat ter slachting is geleid. Het gaat over het lijden van iemand. Maar wie is die ‘iemand’? De kamerling begrijpt het niet. Wanneer Filippus hem vraagt: “Verstaat u ook, wat u leest?”, luidt het antwoord: “Hoe zou ik toch kunnen, als niet iemand mij onderricht?” Daarom vraagt hij Filippus, om hem te onderwijzen (‘catechisatie’ te geven). En zo krijgt de evangelist gelegenheid om aan hem te verkondigen Wie Jezus Christus is.

Na verloop van tijd roept de kamerling uit: “Ziedaar water! Wat verhindert mij gedoopt te worden?” Je leest dan (vers 37) dat Filippus niet antwoordt: “Niets, want iedereen mag gedoopt worden”, maar hij zegt: “Als u van ganser harte gelooft, is het geoorloofd.” Aan de andere kant is het antwoord van de kamerling ook niet: “Geloof is een privézaak…” Nee, hij zegt: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.”

Hier lees je dus dat Filippus om een geloofsbelijdenis vraagt en wel op weg naar de doop. Het lijkt me geen inlegkunde om te zeggen: als de kamerling dit onderwijs had ontvangen in de setting van een bestaande gemeente in plaats van op die stille weg van Jeruzalem naar Gaza, dan zou hij ook in aanwezigheid van die gemeente zijn gedoopt. En dus zou hij ook ten aanhore van (heel) die gemeente zijn geloof hebben beleden. Geloof trouwens maar dat al zijn reisgenoten en dienaren getuige zijn geweest van de doopplechtigheid en ook van zijn geloofsbelijdenis.’

Wanneer ben je toe aan belijdenis doen?
‘Je vraagt je af wanneer jij er klaar voor bent om belijdenis te doen. Filippus zegt het erbij: “Als u van ganser harte gelooft, mag het.” Echoot het in jouw hart: “Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is”? Of stel jij je vertrouwen nog niet op Hem en op Hem alleen? Dat is uiteindelijk ‘er klaar voor zijn’. Let goed op: de kamerling zei niet: “Ik geloof dat mijn zonden vergeven zijn.” Hij zegt ook niet: “Ik geloof dat ik zalig word, een nieuw hart heb, wedergeboren ben.” Hij zegt uiteindelijk dat hij met heel zijn wezen zich toevertrouwt aan de Man van smarten uit Jesaja 53. En ik roep je op dit zonder uitstel te doen, en elke dag weer te doen. Jij hebt het nodig. En je eert er deze grote Zaligmaker mee.

Als je vraagt of je belijdenis kunt doen van de waarheid alleen, stel ik je de vraag: geloof je de waarheid die God ons heeft geopenbaard, echt? Ja? Dat kun je alleen als je – hoe zwak en bestreden ook – heel je hart overgeeft aan Hem Die door de Bijbel jouw wordt voorgesteld, aangewezen en aangeprezen, als de Zaligmaker der wereld. Wees eerlijk? Kun jij – reiziger naar de eeuwige dood – bij Jezus vandaan blijven, Die je het eeuwige leven biedt? Als je dat kunt, moet je vooral niet zeggen dat je de waarheid gelooft en er belijdenis van doet. Je liegt het. Maar misschien golven er heel veel twijfels over je ziel en denk je: ik geloof wel wat er in de Bijbel staat, maar ik weet niet of het ook voor mij geldt. Ik begrijp je. Vertel het de Heere. Hij wil juist Zijn Woord gebruiken om je tot overgave te brengen.’

Waarom is het belangrijk om hier onderwijs over te geven?
‘Als predikant geef ik al 37 jaar lang elk jaar belijdeniscatechisatie. Dan leg ik uit wat dit Bijbels inhoudt. Toen vorig jaar de vraag kwam om er een boekje over te schrijven, was ik daar graag toe bereid.

Maar belangrijker dan belijdenis te doen in de kerk, is jouw en mijn relatie tot Jezus Christus. Ben je Zijn leerling en volgeling (=discipel)? Belijd je Hem in je dagelijks leven met en zonder woorden? Toen Naomi tegen Ruth zei: ga nu net als Orpa terug naar de goden van Moab, zei zij tegen haar schoonmoeder: “Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God.” Dat was de keus van haar hart. Dat was haar geloofsbelijdenis. Wat deed ze eigenlijk? Ze zocht toevlucht onder de vleugelen van de Heere, de God van Israël (Ruth 2:12). Jezus pakt dit beeld op en zegt: “Ik wil jullie bijeen vergaderen zoals een hen haar kuikens onder de vleugels bijeen vergadert.” Moet Hij er over jou bij zeggen: ”Maar jij hebt niet gewild”? Of schuil je bij Hem?’