Meer over Bijbelstudie

Een verhaal uit de Middeleeuwen

Bij de koning is een nar in dienst. Het was een heel goede nar, want niet iedereen die grapjes kon maken of gekke gezichten kon trekken, kwam in aanmerking om bij de koning in dienst te komen. Maar misschien kwam het ook wel omdat hij, naast grappen, ook heel diepzinnige opmerkingen kon maken.

Die middag had hij de koning proberen te vermaken. Die lag met hoofdpijn op zijn rustbed. Dat was veroorzaakt door de zorgen die hij had. Was het al weer tijd om oorlog voeren? En hoeveel onderdanen had hij nu? Wie hadden er allemaal een hekel aan hem? Dat waren zaken die hem bezighielden. Zo waren er nog wel enkele dingen op te noemen. Maar door de grappen van de nar was de koning weer helemaal opgefleurd. Meer nog: hij was zelfs in een overmoedige bui geraakt! "Beste nar", zo sprak de koning, "Je ben me er eentje, zeg! Ik geef jou dit gouden stafje. Omdat je zo dwaas bent! Als jij ooit iemand tegenkomt die nog dwazer is dan jij, geef dit stafje dan door. De koning pakte het gouden stafje, dat naast zijn bed lag, en gaf het aan de nar. De nar boog diep voor de koning en sprak: "Ik zal uw woorden onthouden, majesteit." Hij boog uit beleefdheid nog drie keer en verliet het paleis.

De jaren verstreken en de koning werd ouder en ook nog ziek. Ook de nar was niet zo piepjong meer. Hij had last van zijn rug. Dat kwam door al die gekke capriolen die hij vroeger had gemaakt. Een andere nar had zijn plaats ingenomen.

Toen hij eens op een middag lekker in het zonnetje voor het paleis op een bank zat, hoorde hij dat de koning erg ziek was. De bedienden hadden erover gesproken. De nar bedacht zich niet en ging het paleis binnen. Hij kende de weg immers nog. Even later klopte hij op de slaapkamerdeur van de koning, opende de deur en riep: "Lang leve de koning!"

Maar de koning schudde mismoedig zijn hoofd. Zijn witte haren piekten over zijn koortsige gezicht. "Niets geen lang leven", bromde de koning, ”Ik ben ziek”. ”Ik heb het gehoord”, sprak de nar. "De koning gaat een grote reis maken. Naar een land waarvan men niet terugkeert."

De koning knikte.

De nar zweeg en keek naar het voor hem vertrouwde gezicht. Het was oud geworden en heel wit.
"Majesteit", zo verbrak hij de stilte, "Hoe hebt u zich op deze reis voorbereid? Hoe denkt u daar ontvangen te worden?" De koning keek de nar peinzend aan. "Ik weet het niet", zie hij, "Ik weet het niet. Ik heb me eigenlijk nooit tijd gegund om me daarin te verdiepen. Ik had zoveel andere dingen aan mijn hoofd. Dat weet je zelf!"

De nar keek opnieuw naar het bleke gelaat van de koning, die zijn holle ogen naar het plafond gericht hield. Even weifelde hij. Toen knoopte hij zijn narrejas voorzichtig los en haalde het gouden stafje onder zijn jas vandaan. Hij boog driemaal en legde het stafje op het bed van de koning. “Niet voorbereid koning? Hoe kunt u zo dwaas zijn. Zo’n grote reis moet toch voorbereid worden!” En zonder verder iets te zeggen trok hij de slaapkamerdeur achter zich dicht.

Even later hield de koning het gouden stafje in zijn witte hand. Toen hoorde de koning zichzelf opnieuw zeggen: "Als je ooit iemand tegenkomt die dwazer is dan jij…".