Meer over Bijbelstudie

Zorg voor je naaste (Mattheüs 25:33-46)

De zondagmorgen was aangebroken waarop dominee Jeremiah Steepek voor het eerst zou voorgaan in zijn nieuwe gemeente. Hij wandelde rond de kerk, terwijl de kerkgangers naar binnen stroomden voor de samenkomst. Slechts drie van de enkele duizenden kerkgangers groetten hem. Hij vroeg aan de kerkgangers die hem passeerden om wat geld om voedsel te kunnen kopen. Maar van niemand kreeg hij iets.

Toen de kerk gevuld was en de samenkomst op het punt van beginnen stond, liep hij de kerk binnen en ging op de voorste bank zitten. De koster kwam direct naar hem toe en vroeg of hij alsjeblieft achterin de kerk plaats wilde nemen. Voor een zwerver of dakloze was er kennelijk geen plaats voorin de kerk. Hij gehoorzaamde aan het verzoek en groette de mensen die hij passeerde vriendelijk. Maar ze groetten niet terug en keken op hem neer, met hun veroordelende blikken.

Toen hij achterin de kerk zat, luisterde hij naar de aankondigingen die werden gedaan. Vervolgens nodigde de dienstdoende oudste de nieuwe predikant naar voren. Vol verwachting keek de gemeente om zich heen. De als dakloze man geklede predikant stond op van de achterste bank en liep langzaam naar voren, naar het podium. De gemeente was geschokt. Wat? Is hij onze nieuwe predikant?

Toen hij voorin de kerk stond, keek de kerkgangers indringend aan en opende zijn Bijbel bij Mattheüs 25:33-46. Daar las hij:
33 En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand.
34 Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.
35 Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.
36 Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen.
37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven?
38 Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed?
39 Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en zijn bij U gekomen?
40 En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.
41 Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn: Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.

42 Want Ik ben hongerig geweest en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en u hebt Mij niet te drinken gegeven;
43 Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet gastvrij onthaald; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht.
44 Dan zullen ook dezen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als een vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
45 Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt u het ook niet voor Mij gedaan.
46 En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.


Na deze woorden, keek hij de gemeente opnieuw aan en vertelde hun alles wat hij die ochtend voor de kerkdienst had meegemaakt. Vele aanwezigen begonnen te huilen. Ze bogen hun hoofd… Ze schaamden zich… Toen sprak hij: ‘We hebben hier vanmorgen een bijeenkomst van mensen, maar is dit de kerk van Jezus Christus? De wereld heeft genoeg mensen, maar niet genoeg discipelen van de Heere Jezus. Wanneer wordt u waarlijk een discipel van Hem?’ Dominee Steepek beëindigde de dienst en gaf aan dat hij de volgende zondag verder hoopte te gaan.