Kennismakingsspel 16-
Voor een goed groepsproces is het belangrijk om aandacht te besteden aan groepsvormende en kennismakingsactiviteiten. Hieronder staan twee werkvormen die je in allerlei varianten kunt inzetten.
Kennismaken met elkaar – Wie is het?
Een leidinggevende (of een jongere) gaat voor de groep staan en neemt één persoon uit de groep in gedachten. Alle deelnemers gaan staan.
Om de beurt stelt iemand uit de groep een vraag aan degene die voor de groep staat om erachter te komen wie hij of zij in gedachten heeft.
Bijvoorbeeld:
Vraag: Heeft hij of zij een bril?
Antwoord: Nee. Dan gaat iedereen met een bril zitten.
Antwoord: Ja. Dan gaat iedereen zonder bril zitten.
Vervolgens wordt de volgende vraag gesteld. Hoeveel vragen heeft de groep nodig om te ontdekken over wie het gaat?
Variant: Wanneer de groep elkaar al wat beter kent, kun je de vragen verdiepen. Stel dan geen vragen over uiterlijke kenmerken, maar bijvoorbeeld over karaktereigenschappen, hobby's of interesses.
Variant: Je kunt het spel ook spelen met Bijbelse personen. Zo kun je op een speelse manier aansluiten bij de opening, bijvoorbeeld wanneer die over een Bijbelse figuur gaat.
Kennismaken met de leidinggevenden – Raad de leidinggevende
Schrijf de naam van iedere leidinggevende op een apart vel papier en leg de vellen verspreid over de vloer in de zaal. Je kunt dit ook buiten doen door de namen met stoepkrijt op het kerkplein te schrijven.
Laat iedere leidinggevende vooraf tien kenmerken of weetjes over zichzelf opschrijven. Denk bijvoorbeeld aan karaktereigenschappen, hobby's, werk, gezinssituatie of favoriete bezigheden. Laat één persoon alle kenmerken door elkaar voorlezen. De jongeren lopen vervolgens naar de naam van de leidinggevende van wie zij denken dat het kenmerk of weetje is. Na ieder antwoord geeft de betreffende leidinggevende kort een toelichting. Zo leren de jongeren de leidinggevenden op een leuke manier beter kennen.
Variant: Laat iedere leidinggevende tien meerkeuzevragen over zichzelf maken. Leg of teken vervolgens de antwoordmogelijkheden A, B, C en D op de grond of op het plein. Lees steeds een vraag voor en noem om welke leidinggevende het gaat.
Bijvoorbeeld:
Waar is Marjan het meest bang voor?
A. Spinnen
B. Blaffende honden
C. Haar buurman
D. Klappende ballonnen
Laat de jongeren naar het antwoord lopen waarvan zij denken dat het juist is. Wissel serieuze vragen af met grappige en verrassende vragen voor een speelse sfeer.